Alle soorten › Zangvogels › Mierklauwieren › Rouwmiervogel
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Rouwmiervogel | Cercomacra nigricans
Jet Antbird | Hormiguero azabache
De rouwmiervogel is een slanke, langstaartige miervogel van dicht struikgewas en lianen aan bosranden. Het mannetje is diepzwart met witte randen aan de vleugeldekveren en witte staarttoppen; het vrouwtje is donkergrijs met witte streepjes op keel en borst. In het gidsgebied komt hij alleen in Panama voor, waar hij plaatselijk en schaars is.
Geluid
Zang een herhaalde reeks korte, schorre dubbele tonen. Mannetje en vrouwtje zingen vaak in duet.
Opname: Peter de Rouw — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm. Mannetje: diepzwart; vleugeldekveren met witte randen die twee of drie smalle vleugelstrepen vormen; staart vrij lang, zwart met brede witte toppen. Vrouwtje: donker leigrijs, keel en borst met witte streepjes; vleugel- en staarttekening als bij het mannetje. Snavel vrij fijn.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de zwarte mierklauwier Thamnophilus nigriceps (oosten van Panama) is ook zwart, maar heeft een zwaardere snavel met haakpunt en mist de witte vleugelstrepen en staarttoppen. De tiranmiervogel Cercomacroides tyrannina is grijs in plaats van zwart en heeft veel minder wit in vleugel en staart.
Leefgebied
Dichte lianen en struikgewas aan bosranden, in secundaire groei en langs open plekken in het laagland, vaak in de buurt van water. Eet insecten die hij van bladeren en stengels pikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in Panama, plaatselijk. Buiten het gidsgebied in het noorden van Zuid-Amerika, onder meer in Colombia, Venezuela en het westen van Ecuador.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste op te sporen via de zang in dichte lianenbegroeiing aan bosranden; de witte staarttoppen vallen op als hij zich even laat zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk en schaars; buiten het gidsgebied wijder verbreid.
Wetenschappelijke naam
Cercomacra nigricans | Sclater, 1858
Sclater beschreef de soort in 1858 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cercomacra voerde hij in datzelfde werk in. Cercomacra is Grieks, van kerkos 'staart' en makros 'lang': 'langstaart'. nigricans is Latijn voor 'zwartachtig', naar het grotendeels zwarte mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santa Marta, Colombia.


