Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › San-Geronimogierzwaluw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

San-Geronimogierzwaluw | Panyptila sanctihieronymi

Great Swallow-tailed Swift | Vencejo tijereta mayor

De San-Geronimogierzwaluw is een grote, zwart-witte gierzwaluw met een zeer lange, diep gevorkte staart, die vrijwel alleen in de bergen van het zuiden van Mexico en het noorden van Midden-Amerika voorkomt. De naam verwijst naar San Gerónimo in Baja Verapaz in Guatemala, waar de soort voor het eerst werd beschreven. Hij lijkt op een vergrote cayennegierzwaluw en bouwt net als die een lange, hangende nestkoker. Het is een vrij schaarse, plaatselijke soort die vaak hoog en alleen of in paren vliegt.

San-Geronimogierzwaluw (Panyptila sanctihieronymi)
Foto: Adam Jackson — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Weinig bekend. Gemeld worden hoge, schelle roepen en een snel gekwetter, vooral bij het nest; in de vlucht is de soort meestal stil.

Luister: RoepXC149485

Opname: John van Dort — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, waarvan een groot deel staart. Slank, met lange, smalle vleugels en een zeer lange, diep gevorkte staart die meestal gesloten wordt gehouden en dan als een lange, spitse punt oogt. Het verenkleed is grotendeels zwartbruin. De keel en bovenborst zijn wit, en dat wit loopt als een smalle halve kraag door naar de zijkant van de nek. Op de achterflanken zit aan weerszijden een witte vlek, en de armpennen hebben een smalle witte achterrand. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. De vlucht is krachtig, met diepe slagen en lange glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De cayennegierzwaluw Panyptila cayennensis heeft eenzelfde patroon, maar is veel kleiner, met een kortere staart en een snellere, fladderende vlucht; hij leeft vooral in het laagland aan de Caribische kant. De bonte gierzwaluw Aeronautes saxatalis heeft een minder diep gevorkte, kortere staart en een witte streep die van de keel tot op de buik doorloopt. De witkraaggierzwaluw Streptoprocne zonaris is groter en zwaarder, met een volledige witte halsband en een korte staart.

Leefgebied

Bergachtig terrein met ravijnen en kloven, boven pijn-eikenbos, nevelwoud, droogbos op de hellingen en open cultuurland met bosresten, meestal tussen ongeveer 500 en 2500 m; buiten de broedtijd soms lager. Jaagt hoog in de lucht op vliegende insecten. Het nest is een lange koker van plantenpluis, met speeksel gekit, onder een overhangende rots, aan een rotswand of aan een boom, en soms aan een gebouw.

Verspreiding en trek

In Mexico in de bergen aan de Pacifische kant, van Nayarit en Jalisco zuidwaarts door Colima, Michoacán, Guerrero, Morelos, de staat México en Oaxaca tot in Chiapas. Verder in de hooglanden van Guatemala, El Salvador, Honduras en het noorden van Nicaragua. In Costa Rica zijn er alleen enkele losse waarnemingen. Overal schaars en plaatselijk; niet bekend van buiten het gidsgebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kansen zijn in de hooglanden van Alta en Baja Verapaz in Guatemala, in de valleien rond Tegucigalpa in Honduras, en in de bergen van Chiapas en Jalisco. Grote gierzwaluwen met een lange, puntige staart die hoog boven een dal patrouilleren, verdienen een tweede blik; de vogels vliegen vaak tussen groepen witkraaggierzwaluwen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een vrij groot verspreidingsgebied, maar is overal schaars; over aantallen en trends is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Panyptila sanctihieronymi | Salvin, 1863

Salvin beschreef de soort in 1863 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Panyptila werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Panyptila is Grieks, van panu 'zeer, geheel' en ptilon 'veer': 'geheel bevederd', naar de tot op de tenen bevederde poten. sanctihieronymi is Latijn voor 'van Sint-Hiëronymus', naar San Jerónimo in Baja Verapaz (Guatemala), waar het type werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit San Jerónimo, Baja Verapaz, Guatemala.