Alle soorten › Valkachtigen › Valken en caracara's › Slechtvalk

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae

Slechtvalk | Falco peregrinus

Peregrine Falcon | Halcón peregrino

De slechtvalk is de grootste en zwaarste valk die regelmatig in het gidsgebied voorkomt. Hij jaagt op middelgrote vogels zoals duiven, steltlopers en eenden, die hij in een steile duikvlucht uit de lucht slaat. Een kleine broedpopulatie leeft het hele jaar op kliffen en eilanden in het noordwesten van Mexico; elders is hij een wintergast en doortrekker uit Noord-Amerika, die tot in Panama komt.

Slechtvalk (Falco peregrinus)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het gidsgebied meestal stil; bij onrust en bij het nest een raspend, herhaald kek-kek-kek of rek-rek-rek.

Luister: VluchtroepXC1153519

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

36–49 cm, krachtig gebouwd, met brede vleugelbases, spitse vleugelpunten en een vrij korte staart. Volwassen vogels zijn van boven leigrijs, met een donkere kap en een brede zwarte baardstreep op de witte wang. De onderdelen zijn wit tot zalmkleurig, op borst en buik fijn zwart gebandeerd. Onvolwassen vogels zijn van boven bruin en van onder okerkleurig met donkere lengtestrepen; vogels uit het Noordpoolgebied hebben een licht voorhoofd en een smallere baardstreep. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje.

Verwarrings­soorten

De prairievalk Falco mexicanus is zandbruin van boven, met een smalle baardstreep en donkere oksels. Het smelleken Falco columbarius is veel kleiner, met een zwakke baardstreep. De aplomadovalk Falco femoralis is slanker, met een lange staart, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte buikband. De bonte slechtvalk Falco deiroleucus is kleiner, blauwzwart van boven, met een zwarte kap tot op de wang en een roestrode buik.

Leefgebied

Kusten, getijdenvlakten, lagunes en zoutpannen met veel steltlopers en zeevogels, rotskusten en kliffen, moerassen, en steden, havens en vliegvelden, waar de vogels op hoge gebouwen, kerktorens en masten zitten. Broedt op richels van kliffen en rotswanden, vooral aan de kust en op eilanden. Jaagt in een steile duikvlucht of in achtervolging in de lucht.

Verspreiding en trek

Broedt in Baja California, op de eilanden en aan de kusten van de Golf van Californië en plaatselijk in de bergen van het noorden van Mexico. Wintergasten en doortrekkers uit Noord-Amerika verspreiden zich van september tot april over het hele gidsgebied tot Panama, vooral langs de kusten en in steden. De doortrek is het sterkst langs de Golfkust van Veracruz, met een piek in oktober, en langs de Pacifische kust van Midden-Amerika; in maart–april trekken de vogels terug. Buiten het gidsgebied vrijwel wereldwijd.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Begin oktober trekken langs de kust van Veracruz op sommige dagen tientallen slechtvalken laag langs het strand. In steden als Mexico-Stad, Ciudad de Guatemala en Panama-Stad zitten overwinterende vogels vaak dagenlang op dezelfde hoge gebouwen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populaties zijn na het verbod op DDT sterk hersteld.

Wetenschappelijke naam

Falco peregrinus | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. peregrinus is Latijn voor 'vreemdeling, van elders'; jonge vogels werden voor de valkerij op trek gevangen en niet uit het nest gehaald. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Northamptonshire in Engeland.