Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Sneeuwgans

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Sneeuwgans | Anser caerulescens

Snow Goose | Ánsar nival

De sneeuwgans is een Noord-Amerikaanse gans die in het noorden van Mexico overwintert, vooral op de hoogvlakte van Chihuahua en Durango. Daar foerageren groepen van honderden tot duizenden vogels op akkers en slapen ze op ondiepe meren, vaak samen met kolganzen en Canadese kraanvogels. Verder zuidelijk is hij schaars tot zeldzaam.

Sneeuwgans (Anser caerulescens)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, nasaal, blaffend houk of kauk; groepen maken een aanhoudend luid gesnater dat van ver te horen is.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1020250

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

64–79 cm. Een middelgrote gans met een roze snavel met een zwarte 'grijnslijn' langs de snavelranden en roze poten. Er zijn twee kleurvormen. De witte vorm is geheel wit met zwarte handpennen; de kop is soms roestig gekleurd door ijzerhoudend water. De blauwe vorm is donker grijsbruin met een witte kop en hals en wisselend veel wit op buik en onderstaartdekveren. Jonge vogels van de witte vorm zijn vuilgrijs op kop, hals en bovendelen en hebben een donkere snavel; jonge vogels van de blauwe vorm zijn vrijwel egaal donker leigrijs. Vliegt in lange, golvende lijnen en V-formaties.

Verwarrings­soorten

De ross' gans Anser rossii is kleiner, met een kortere, rondere kop en een korte, driehoekige snavel zonder grijnslijn, bij oude vogels met wratjes aan de basis; hybriden tussen beide soorten komen voor. Witte tamme ganzen hebben geen zwarte handpennen. De Amerikaanse witte pelikaan Pelecanus erythrorhynchos heeft eveneens wit met zwarte vleugelpunten, maar is veel groter, met een enorme gele snavel, en vliegt met ingetrokken hals.

Leefgebied

In de winter stoppelvelden en andere akkers, natte graslanden, ondiepe zoete en brakke meren en tijdelijke plassen op de hoogvlakte, en plaatselijk kustlagunes. Slaapt op open water en vliegt overdag naar de akkers. Eet graankorrels, wortels en scheuten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Overwintert in het noorden en midden van Mexico, vooral op de hoogvlakte van Chihuahua, Durango en Zacatecas, verder in Coahuila, Nuevo León, Tamaulipas, San Luis Potosí, Sonora, Sinaloa en Baja California, en in kleiner aantal zuidwaarts tot Jalisco, Guanajuato en Michoacán. Verder zuidelijk zeldzaam, met gevallen in onder meer Yucatán, Belize, Honduras en El Salvador. Broedt op de toendra van Noord-Amerika en het uiterste noordoosten van Siberië en overwintert grotendeels in de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In december en januari bij de meren en akkers van de hoogvlakte van Chihuahua, zoals rond de Laguna de Babícora. De groepen zijn het best te zien kort na zonsopkomst, wanneer ze van de slaapplaats naar de akkers vliegen; daartussen staan geregeld blauwe vogels en ross' ganzen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse stand is sinds de jaren zeventig sterk toegenomen, mede door het voedselaanbod op akkers in de winterkwartieren. In het gidsgebied overwintert slechts een klein deel van de wereldstand.

Wetenschappelijke naam

Anser caerulescens | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas caerulescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anser is het Latijnse woord voor 'gans'. caerulescens is Latijn voor 'blauwachtig', van caeruleus 'donkerblauw', naar de blauwgrijze donkere kleurvorm. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.