Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Subliemspecht

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Subliemspecht | Campephilus splendens

Splendid Woodpecker | Carpintero espléndido

De subliemspecht is een grote, roodzwarte specht van het vochtige voetheuvelbos van Panama en het westen van Colombia en Ecuador. Hij werd lang tot de roodbuikspecht van de oostelijke Andes gerekend, maar wordt nu als aparte soort behandeld. Hij is schaars, leeft verborgen in het binnenste van het bos en zoekt vaak laag op dikke stammen.

Subliemspecht (Campephilus splendens)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Trommelt met de voor het geslacht kenmerkende dubbele slag, een harde klop direct gevolgd door een tweede. Roept een schorre, nasale kjuh en een korte, ratelende reeks.

Luister: RoepXeno-canto (via Wikimedia Commons)

Opname: Oliver Komar — CC BY-SA 4.0 · Omgezet naar mp3, mono, ongewijzigde lengte · Xeno-canto (via Wikimedia Commons)

Herkenning

33–35 cm. Kop met kuif rood, de wang en keel zwart met twee lichte okerkleurige strepen, een boven en een onder de wang. Bovenkant zwart, onderrug en stuit rood. De onderkant is donkerrood met zwartachtige bandering. De snavel is lang, recht en donker. Bij het vrouwtje loopt de onderste lichte streep door tot op de halszijde.

Verwarrings­soorten

De zwartkeelspecht Campephilus melanoleucos en de gestreepte helmspecht Dryocopus lineatus hebben een witte halsstreep die doorloopt als witte streep langs de rugzijde en een lichte, gebandeerde of gestreepte onderkant, geen rode; beide leven vooral aan bosranden en in halfopen bos in het laagland.

Leefgebied

Hoog, vochtig voetheuvel- en laag bergbos, vooral tussen ongeveer 300 en 1500 m, plaatselijk lager in het Chocó-Darién-regenwoud. Houdt zich op in het binnenste van het bos, meestal in paren, en hakt in de onderste en middelste boomlaag op dikke stammen en rottende bomen naar keverlarven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Panama: voetheuvels en berghellingen van Coclé en het oosten van Panamá Oeste (Altos de María) oostwaarts door Colón, de provincie Panamá (Cerro Jefe, Cerro Azul) en Guna Yala tot Darién (Cerro Pirre, Cerro Chucantí); zeldzaam westwaarts tot Veraguas en Bocas del Toro. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en het westen van Ecuador.

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is op Cerro Jefe en bij Nusagandi in Guna Yala, en in Darién rond Cerro Chucantí en het station op Cerro Pirre. De dubbele trommelslag verraadt vaak waar hij zit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gidsgebied schaars en plaatselijk. Afhankelijk van groot, aaneengesloten bos met dikke en dode bomen, en daardoor gevoelig voor kap in de voetheuvels.

Wetenschappelijke naam

Campephilus splendens | Hargitt, 1889

Hargitt beschreef de soort in 1889 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Campephilus werd in 1840 ingevoerd door Gray. Campephilus is Grieks, van kampē 'rups' en philos 'liefhebbend': 'rupsenliefhebber', naar het voedsel van insectenlarven. splendens is Latijn voor 'schitterend, glanzend', naar het prachtige zwart-rode kleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Puerto Valdivia, Antioquia, Colombia.