Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Vale bosuil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Vale bosuil | Strix fulvescens

Fulvous Owl | Búho leonado

De vale bosuil is een vrij grote, warm oranjebruine bosuil met donkere ogen en een ronde kop zonder oorpluimen. Hij leeft alleen in de hooglanden van het zuiden van Mexico, Guatemala, El Salvador en Honduras, in nevelwoud en pijn-eikenbos. Hij is nauw verwant aan de gestreepte bosuil Strix varia en de Mexicaanse bosuil Strix sartorii, maar kleiner en veel warmer van kleur. Hij is ’s nachts actief.

Vale bosuil (Strix fulvescens)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van vier tot tien korte, diepe hoetonen in een vast, snel ritme, hoe-hoe hoe-hoe-hoe, die in volume aanzwelt. Partners roepen vaak in duet, het vrouwtje hoger dan het mannetje. Daarnaast hese, kreunende roepen. Vooral te horen in de schemering en de eerste uren na zonsondergang, het meest van januari tot april.

Luister: DuetXC1163694

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

41–44 cm, met een ronde kop zonder oorpluimen en donkerbruine ogen. Het verenkleed is warm geelbruin tot oranjebruin. De gezichtsschijf is lichtbruin met donkere concentrische ringen en een donkere rand. Hals en bovenborst zijn bruin en geelbruin gebandeerd; borst en buik zijn geelbruin met donkerbruine lengtestrepen. De bovendelen zijn roodbruin met geelbruine banden en lichte vlekken op de vleugels. De snavel is geel. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De bonte bosuil Strix virgata is kleiner, donkerder bruin en heeft geen dwarsbanden op de bovenborst. De Mexicaanse bosuil Strix sartorii, die noordelijker voorkomt, is groter en grijzer. De grote ransuil Asio stygius is donkerder, met oorpluimen en gele ogen. De gevlekte schreeuwuil Megascops trichopsis is veel kleiner en heeft korte oorpluimen.

Leefgebied

Vochtig nevelwoud, pijn-eikenbos, eikenbos en dennenbos in de bergen, ook bosranden, open plekken en kleine bosjes tussen akkers en koffie. Komt voor van ongeveer 1200 tot 3000 meter hoogte, meestal boven 1500 meter. Jaagt vanaf een zitpost op kleine zoogdieren, vogels, kikkers en grote insecten en broedt in boomholten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in de hooglanden van het zuiden van Mexico, in de Sierra Norte van Oaxaca en in Chiapas, en verder in de bergen van Guatemala, El Salvador en Honduras. Uit Nicaragua zijn geen waarnemingen bevestigd. Buiten deze hooglanden komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rond het Atitlánmeer en in de hooglanden van Quetzaltenango in Guatemala, in de bossen rond San Cristóbal de las Casas in Chiapas en bij La Cumbre in de Sierra Norte van Oaxaca is de zang in de schemering vaak te horen, vooral van januari tot april. Hij reageert snel op andere uilen in zijn territorium en zit dan soms zichtbaar op een kale tak aan de bosrand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het areaal is klein en het bergbos in het gebied verdwijnt door houtkap en de aanleg van akkers, maar de soort kan ook in versnipperd bos en bij boerderijen met bosjes leven.

Wetenschappelijke naam

Strix fulvescens | (Sclater & Salvin, 1868)

Sclater & Salvin beschreef de soort in 1868 als Syrnium fulvescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Strix werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. fulvescens is Latijn voor 'roodbruinachtig, geelbruinachtig', naar het warme bruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guatemala.