Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Virginiazanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Virginiazanger | Leiothlypis virginiae

Virginia's Warbler | Chipe de Virginia

De virginiazanger is een kleine, grijze zanger met een witte oogring, een gele stuit en gele onderstaartdekveren. Hij broedt in droog berggebied in het binnenland van het westen van de Verenigde Staten en overwintert in het westen en zuiden van Mexico. Tijdens het foerageren beweegt hij voortdurend zijn staart op en neer.

Virginiazanger (Leiothlypis virginiae)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een losse reeks zoete, tweelettergrepige tonen die aan het einde sneller en lager worden, zoals tsjewie-tsjewie-tsjewie-tsjit-tsjit. De roep is een scherp, metalig tsjink.

Luister: ZangXC1083465

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

10–12 cm. Klein en slank, met een fijne, spitse snavel. Bovendelen egaal grijs, stuit en bovenstaartdekveren geelgroen. Duidelijke witte oogring op een grijze kop; het volwassen mannetje heeft een kastanjebruine vlek midden op de kruin, die vaak verborgen is. Onderdelen grijswit met een gele vlek op de borst, die bij het mannetje groter is; onderstaartdekveren helder geel. Jonge vogels en veel vrouwtjes hebben weinig of geen geel op de borst en geen kruinvlek.

Verwarrings­soorten

De colimazanger Leiothlypis crissalis is groter, bruiner grijs en heeft okerkleurige onderstaartdekveren zonder geel op de borst; hij broedt in de bergen van het noordoosten van Mexico en overwintert in het zuidwesten. De lucys zanger Leiothlypis luciae heeft een roodbruine stuit en geen geel in het verenkleed. De nashvillezanger Leiothlypis ruficapilla heeft ook een witte oogring en een grijze kop, maar een volledig gele keel en onderzijde en olijfgroene bovendelen.

Leefgebied

In de winter droog struweel, doornstruweel, randen van droogbos en struikrijke hellingen in heuvels en lagere bergen, ook open pijn-eikenbos; vooral tussen ongeveer 1000 en 2500 m. Zoekt insecten in de lage vegetatie en struiken, vaak in gemengde groepen met andere zangers.

Verspreiding en trek

Broedt in het binnenland van het westen van de Verenigde Staten, van Nevada, Utah en Colorado tot Arizona en New Mexico. Trekt door het noordwesten en het centrum van Mexico. Overwintert in het gidsgebied van Nayarit en Jalisco via Michoacán, Guerrero, Morelos en Puebla tot Oaxaca.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter te vinden in struikrijke, droge hellingen in Morelos en Oaxaca, waar hij zich vaak aansluit bij gemengde groepen insecteneters. Het voortdurende op en neer bewegen van de staart en de gele stuit helpen bij het herkennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Vrij algemeen in zijn broedgebied; in het gidsgebied een geregelde wintergast. Het verlies van droog struweel en droogbos in de overwinteringsgebieden is een mogelijk knelpunt.

Wetenschappelijke naam

Leiothlypis virginiae | (Baird, 1860)

Baird beschreef de soort in 1860 als Helminthophaga virginiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. virginiae eert Mary Virginia Childs Anderson (1833–1912), de vrouw van de Amerikaanse legerarts William Wallace Anderson, die de eerste exemplaren verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Burgwyn, Taos County, New Mexico.