Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Vlekstaartnachtzwaluw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Vlekstaartnachtzwaluw | Antiurus maculicaudus

Spot-tailed Nightjar | Chotacabras colipinto

De vlekstaartnachtzwaluw is een kleine, lichte nachtzwaluw van natte graslanden en pijnsavannen. In het gidsgebied leeft hij in enkele ver uit elkaar liggende gebieden, in het zuiden van Mexico en in de Mosquitia van Honduras en Nicaragua, en hij is er weinig bekend. Buiten het broedseizoen is hij zelden te vinden.

Vlekstaartnachtzwaluw (Antiurus maculicaudus)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zeer hoog, dun, insectachtig pt-sieet of pit-swiet, met korte tussenpozen herhaald. Wegens de hoge toonhoogte is hij op afstand gemakkelijk te missen. Over de roepen uit het gidsgebied is weinig bekend.

Luister: ZangXC1164006

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19–22 cm, met een vrij korte, afgeronde staart. De kruin is donker, bijna zwartachtig met fijne strepen, en wordt afgezet door een opvallende geelbruine wenkbrauwstreep; in de nek ligt een roestbruine tot geelbruine kraag. De bovendelen zijn bruin en geelbruin, met grote zwarte vlekken op de schouders. De onderdelen zijn geelbruin met fijne donkere bandering. Het mannetje heeft brede witte toppen aan de buitenste staartpennen en witte vlekken aan de onderkant van de staart, waaraan de soort haar naam dankt; de vleugel heeft weinig of geen wit. Bij het vrouwtje ontbreekt het wit en zijn de staarttoppen geelbruin.

Verwarrings­soorten

De pauraque Nyctidromus albicollis is groter, met een langere staart en een witte vleugelband. De whippoorwill Antrostomus vociferus en de carolinanachtzwaluw Antrostomus carolinensis, die in de winter in het gidsgebied verblijven, zijn groter en donkerder, zonder de contrastrijke kop. De texasnachtzwaluw Chordeiles acutipennis heeft spitse vleugels met een witte band en jaagt hoog in de lucht.

Leefgebied

Natte graslanden, pijnsavannen met verspreide pijnbomen en open, grazige terreinen bij moerassen en bosranden in het laagland. Jaagt in lage vlucht of vanaf de grond op insecten. Het ei wordt zonder nest op de grond gelegd, tussen gras of in een kale plek.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied zeer plaatselijk. In Mexico in het zuiden van Veracruz en het aangrenzende noorden van Oaxaca, met enkele meldingen uit Chiapas; in de pijnsavannen van de Mosquitia in het oosten van Honduras en het noordoosten van Nicaragua. Waarnemingen zijn schaars en de verspreiding is onvolledig bekend. Buiten het gidsgebied plaatselijk in Zuid-Amerika, van Colombia, Venezuela en de Guyana's tot Bolivia, Paraguay en het zuidoosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kans geeft zoeken in de avondschemering in het voorjaar, wanneer mannetjes zingen boven natte graslanden en pijnsavannen. De hoge, dunne zang is het eerste teken; met een lamp is daarna de oogreflectie op de grond te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied in Zuid-Amerika. In het gidsgebied is ze schaars en plaatselijk, en omzetting van natte graslanden en savannen in landbouwgrond vermindert het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Antiurus maculicaudus | (Lawrence, 1862)

Lawrence beschreef de soort in 1862 als Stenopsis maculicaudus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antiurus werd in 1912 ingevoerd door Ridgway. Antiurus is Grieks, van antios 'anders, afwijkend' en oura 'staart', naar de afwijkende staarttekening. maculicaudus is Latijn, van macula 'vlek' en cauda 'staart', naar de witte vlekken in de staart van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pará, Brazilië.