Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Witstaartnachtzwaluw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Witstaartnachtzwaluw | Hydropsalis cayennensis

White-tailed Nightjar | Chotacabras coliblanco

De witstaartnachtzwaluw is een kleine nachtzwaluw van open, grazige landschappen. In het gidsgebied bereikt hij zijn noordgrens: hij komt alleen voor in het zuidwesten van Costa Rica en aan de Pacifische kant van Panama. Het mannetje toont in de vlucht veel wit in vleugel en staart; het vrouwtje is vrijwel egaal gecamoufleerd.

Witstaartnachtzwaluw (Hydropsalis cayennensis)
Foto: Adaptivity77 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een hoog, dun pt-tsjieieieie, waarvan de tweede toon lang uitgerekt en stijgend is en aan het eind iets daalt. Daarnaast krassende roepen in de vlucht en dunne tiktonen bij verstoring.

Luister: ZangXC998443

Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, slank, met een vrij lange, licht ingekeepte staart. De bovendelen zijn grijsbruin met donkere vlekken en strepen, met een roestbruine kraag in de nek. Het mannetje heeft een witte keelvlek, een witte band over de handpennen en grotendeels witte buitenste staartpennen, waardoor de staart van onderen vooral wit lijkt. Het vrouwtje is donkerder en bruiner, met een geelbruine keel en zonder wit in vleugel en staart.

Verwarrings­soorten

De pauraque Nyctidromus albicollis is groter, met een langere staart en een witte vleugelband dichter bij de vleugelpunt; hij is in hetzelfde gebied veel talrijker. De Amerikaanse nachtzwaluw Chordeiles minor en de texasnachtzwaluw Chordeiles acutipennis hebben spitse vleugels met een witte band halverwege, een gevorkte staart en jagen hoog in de lucht. Het vrouwtje lijkt sterk op vrouwtjes van andere kleine nachtzwaluwen; leefgebied en roep helpen dan.

Leefgebied

Open landschap: grazige savanne, weiland en veeweiden met verspreide struiken, grazige hellingen en ruige terreinen langs wegen en bosranden. Jaagt vanaf de grond of in lage vlucht op insecten. Het ei wordt zonder nest op de grond gelegd, vaak tussen gras of onder een struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Costa Rica vooral in de dalen en het laagland van het zuidwesten, in Puntarenas, met verspreide meldingen noordelijk tot in Guanacaste. In Panama aan de Pacifische kant, van Chiriquí en Veraguas oostelijk tot rond Panama-Stad en in Darién. Buiten het gidsgebied in het noorden van Zuid-Amerika, tot de Guyana's en het noorden van Brazilië, en op Trinidad en Tobago, de ABC-eilanden en Martinique.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de avondschemering langs weilanden en grazige terreinen in het zuiden van Costa Rica of in de savannen aan de Pacifische kant van Panama, waar zingende mannetjes vaak vanaf de grond of een lage steen roepen. Een lamp brengt de oogreflectie op wegen en paden aan het licht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied in Zuid-Amerika. In het gidsgebied plaatselijk; ze profiteert van open weidegebied, maar broedt op de grond en is daar kwetsbaar voor verstoring.

Wetenschappelijke naam

Hydropsalis cayennensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Caprimulgus cayennensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydropsalis werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Hydropsalis is Grieks, van hudro- 'water-' en psalis 'schaar', naar de schaarvormige staart; waarom 'water' is niet duidelijk. cayennensis betekent 'uit Cayenne', naar Frans-Guyana, waar het typeexemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.