Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Witbandsijs

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Witbandsijs | Spinus psaltria

Lesser Goldfinch | Jilguero dominico

De witbandsijs is de kleinste en meest verbreide sijs van het gidsgebied, een geel-zwarte vogel van open, struikrijk terrein, akkerranden en tuinen. Hij komt voor van de woestijnen van het noorden tot de hooglanden van Panama. Groepjes zoeken op distels en andere zaaddragende kruiden naar voedsel.

Witbandsijs (Spinus psaltria)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Roept een klaaglijk, dalend tie-je of tie-uu en een vlak tsjè. De zang is een lange, gevarieerde reeks van getjilp, trillers en fluittonen, vaak met nagebootste roepen van andere vogels.

Luister: ZangXC1184606

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

9–11 cm. Het mannetje heeft een zwarte kap, heldergele onderdelen en een witte vlek aan de basis van de handpennen; in vrijwel heel Mexico en Midden-Amerika is de rug zwart, in het noordwesten van Mexico komen ook mannetjes met een groene rug voor. Ook de staart heeft wit aan de basis van de buitenste pennen. Het vrouwtje is olijfgroen boven en geel onder, zonder zwarte kap, met een kleinere witte vleugelvlek en lichte vleugelstrepen. Snavel kort en donker.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de zwartkopsijs Spinus notatus heeft een geheel zwarte kop en keel en een gele, geen witte, vleugelvlek. De maskergeelvink Spinus lawrencei is overwegend grijs. De treursijs Spinus tristis heeft in de winter een witte onderstaart en brede lichte vleugelstrepen; het mannetje in zomerkleed is heldergeel met een zwart voorhoofd.

Leefgebied

Open bos, struweel, bosranden, droogbos, eiken- en pijn-eikenbos, akkers met onkruid, heggen, tuinen en dorpen, van zeeniveau tot ongeveer 3000 m. Eet vooral zaden van kruiden en distels, ook knoppen. Buiten de broedtijd in groepen, vaak bij water.

Verspreiding en trek

Van het zuidwesten van de Verenigde Staten door vrijwel heel Mexico, behalve grote delen van het laagland van het schiereiland Yucatán, en door Midden-Amerika tot Panama, waar hij plaatselijk en vooral in het westen en midden voorkomt. Buiten het gidsgebied in het noorden van Zuid-Amerika tot Venezuela en Peru.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaak te vinden waar onkruid en distels in zaad staan, langs bermen en akkerranden en in tuinen; de klaaglijke roep wijst groepjes aan die anders tussen het groen verdwijnen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en profiteert van open, door de mens veranderd landschap. Wordt plaatselijk gevangen voor de handel in kooivogels.

Wetenschappelijke naam

Spinus psaltria | (Say, 1822)

Say beschreef de soort in 1822 als Fringilla psaltria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Oudgriekse spinos, de naam van een kleine vogel die niet meer met zekerheid thuis te brengen is. psaltria is Grieks voor 'harpspeelster', naar de welluidende zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Arkansas River bij Colorado Springs, Colorado (VS).