Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkruingors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Witkruingors | Zonotrichia leucophrys

White-crowned Sparrow | Chingolo coroniblanco

De witkruingors is een grote, grijsborstige gors met een opvallend zwart-wit gestreepte kop. Hij broedt in Alaska, Canada en de gebergten en kuststreken van het westen van de Verenigde Staten. In de winter is hij een van de talrijkste gorzen van het noorden van Mexico.

Witkruingors (Zonotrichia leucophrys)
Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een of twee heldere fluittonen, gevolgd door een reeks zoemende trillers en tjilpjes; in de winter regelmatig te horen. De roep is een scherp, metaalachtig pink en een fijn tsiet.

Luister: ZangXC1151439

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Groot en slank, met een vrij lange staart en een roze, oranjeachtige of gele snavel. Adulte vogels hebben een kop met brede zwarte en witte lengtestrepen: een witte middenkruinstreep, zwarte kruinzijstrepen, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep. Keel, nek en borst effen grijs, flanken lichtbruin. Rug grijsbruin met donkere strepen, twee smalle witte vleugelstrepen. Jonge vogels in de eerste winter hebben dezelfde kopstrepen in bruin en okerkleurig.

Verwarrings­soorten

De witkeelgors Zonotrichia albicollis heeft een scherp afgetekende witte keel, een gele vlek voor het oog en een grijze snavel. De goudkruingors Zonotrichia atricapilla heeft een gele voorkruin en geen witte kopstrepen. De roodoorgors Chondestes grammacus heeft een kastanjebruin-wit gestreepte kop, een zwarte borstvlek en witte hoeken aan de staart.

Leefgebied

In de winter open, droog terrein met struiken: hoogvlaktestruweel, halfwoestijngrasland met struiken, doornstruweel, heggen, akkerranden, weiland, oeverbegroeiing en tuinen. Leeft in groepen, vaak met andere gorzen, en zoekt zaden en insecten op de grond, meestal dicht bij dekking.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska en het noorden van Canada, in de Rocky Mountains en andere gebergten van het westen van de Verenigde Staten en langs de Pacifische kust tot in Californië. Overwintert in het zuiden en westen van de Verenigde Staten en in Mexico. In het gidsgebied vooral in het noorden en op de centrale hoogvlakte, van Baja California tot Tamaulipas en zuidelijk tot Jalisco, Guanajuato en Hidalgo; schaars verder naar het zuiden.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter op de hoogvlakte van het noorden van Mexico vaak in groepen langs struikranden van akkers en wegbermen; de duidelijke kopstrepen en de grijze borst maken hem tussen andere gorzen makkelijk herkenbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en talrijk, maar in Noord-Amerika op lange termijn in aantal afgenomen. In het gidsgebied een algemene wintergast in het noorden.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia leucophrys | (Forster, 1772)

Forster beschreef de soort in 1772 als Emberiza leucophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. leucophrys is Grieks, van leukos 'wit' en ophrus 'wenkbrauw', naar de witte streep boven het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Severn bij de Hudsonbaai.