Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkruingors
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Witkruingors | Zonotrichia leucophrys
White-crowned Sparrow | Chingolo coroniblanco
De witkruingors is een grote, grijsborstige gors met een opvallend zwart-wit gestreepte kop. Hij broedt in Alaska, Canada en de gebergten en kuststreken van het westen van de Verenigde Staten. In de winter is hij een van de talrijkste gorzen van het noorden van Mexico.
Geluid
De zang begint met een of twee heldere fluittonen, gevolgd door een reeks zoemende trillers en tjilpjes; in de winter regelmatig te horen. De roep is een scherp, metaalachtig pink en een fijn tsiet.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm. Groot en slank, met een vrij lange staart en een roze, oranjeachtige of gele snavel. Adulte vogels hebben een kop met brede zwarte en witte lengtestrepen: een witte middenkruinstreep, zwarte kruinzijstrepen, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep. Keel, nek en borst effen grijs, flanken lichtbruin. Rug grijsbruin met donkere strepen, twee smalle witte vleugelstrepen. Jonge vogels in de eerste winter hebben dezelfde kopstrepen in bruin en okerkleurig.
Verwarringssoorten
De witkeelgors Zonotrichia albicollis heeft een scherp afgetekende witte keel, een gele vlek voor het oog en een grijze snavel. De goudkruingors Zonotrichia atricapilla heeft een gele voorkruin en geen witte kopstrepen. De roodoorgors Chondestes grammacus heeft een kastanjebruin-wit gestreepte kop, een zwarte borstvlek en witte hoeken aan de staart.
Leefgebied
In de winter open, droog terrein met struiken: hoogvlaktestruweel, halfwoestijngrasland met struiken, doornstruweel, heggen, akkerranden, weiland, oeverbegroeiing en tuinen. Leeft in groepen, vaak met andere gorzen, en zoekt zaden en insecten op de grond, meestal dicht bij dekking.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in Alaska en het noorden van Canada, in de Rocky Mountains en andere gebergten van het westen van de Verenigde Staten en langs de Pacifische kust tot in Californië. Overwintert in het zuiden en westen van de Verenigde Staten en in Mexico. In het gidsgebied vooral in het noorden en op de centrale hoogvlakte, van Baja California tot Tamaulipas en zuidelijk tot Jalisco, Guanajuato en Hidalgo; schaars verder naar het zuiden.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter op de hoogvlakte van het noorden van Mexico vaak in groepen langs struikranden van akkers en wegbermen; de duidelijke kopstrepen en de grijze borst maken hem tussen andere gorzen makkelijk herkenbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en talrijk, maar in Noord-Amerika op lange termijn in aantal afgenomen. In het gidsgebied een algemene wintergast in het noorden.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia leucophrys | (Forster, 1772)
Forster beschreef de soort in 1772 als Emberiza leucophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. leucophrys is Grieks, van leukos 'wit' en ophrus 'wenkbrauw', naar de witte streep boven het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Severn bij de Hudsonbaai.






