Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Zwartvoetalbatros

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Zwartvoetalbatros | Phoebastria nigripes

Black-footed Albatross | Albatros patas negras

De zwartvoetalbatros is een donkere albatros van de noordelijke Stille Oceaan, die op de noordwestelijke Hawaïaanse eilanden broedt en buiten de broedtijd tot voor de westkust van Noord-Amerika rondzwerft. In het gidsgebied is hij een niet-broedende gast op open zee voor Baja California, vooral in het voorjaar en de zomer. Hij volgt graag vissersschepen.

Zwartvoetalbatros (Phoebastria nigripes)
Foto: DKRKaynor — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil; bij vissersschepen soms een schor gekrijs en gekwaak bij ruzie om voedsel. In de kolonie een baltsdans met fluitende en kreunende roepen en snavelgeklepper.

Luister: RoepXC286476

Opname: Elias Aristides Elias — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

68–74 cm. Een grote, donkere zeevogel met lange, smalle, rechte vleugels en een zware, haakvormige snavel. Het verenkleed is egaal donker grijsbruin, met een witte band rond de snavelbasis en een witte vlek onder en achter het oog. Bij oudere vogels zijn de bovenstaartdekveren en vaak de onderstaartdekveren wit, waardoor een witte band aan de staartbasis te zien is; jonge vogels zijn geheel donker. De snavel is donker grijsbruin, de poten zwart. Zweeft met stijve vleugels in lage bogen boven de golven en slaat zelden met de vleugels.

Verwarrings­soorten

De laysanalbatros Phoebastria immutabilis heeft een witte kop en onderzijde en een roze snavel. Jonge kortstaartalbatrossen Phoebastria albatrus, een zeer zeldzame gast, zijn ook donker, maar groter, met een grote roze snavel en lichte poten. Donkere pijlstormvogels, zoals de grauwe pijlstormvogel Ardenna grisea, zijn veel kleiner, met een dunne snavel en een snellere vlucht met meer vleugelslagen. Donkere jonge meeuwen hebben bredere vleugels en een kortere snavel.

Leefgebied

Open zee, vooral boven de rand van het continentaal plat en boven diep water; komt dichter bij de kust dan de laysanalbatros. Eet vooral viseieren, inktvis, vis en visafval, en volgt vissersschepen en andere schepen. Broedt op zandige, lage oceanische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Op zee voor de Pacifische kust van Baja California en Baja California Sur, het meest voor het noorden van Baja California; verder zuidelijk zeldzaam, met losse gevallen bij de Revillagigedo-eilanden en voor Sinaloa. Buiten het gidsgebied broedt de soort vooral op de noordwestelijke Hawaïaanse eilanden, en verder op enkele eilanden bij Japan, en zwerft zij over de hele noordelijke Stille Oceaan, van de Golf van Alaska en de Beringzee tot voor Californië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten voor het noorden van Baja California, vooral van het voorjaar tot de nazomer, bieden de meeste kans. Vogels komen af op vissersschepen en op visafval dat overboord gaat.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort leed grote verliezen door bijvangst in de drijfnet- en langelijnvisserij; sinds het drijfnetverbod en maatregelen in de langelijnvisserij zijn de aantallen hersteld en weer toegenomen. Het inslikken van plastic, vervuiling en de stijgende zeespiegel op de lage broedeilanden blijven een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Phoebastria nigripes | (Audubon, 1839)

Audubon beschreef de soort in 1839 als Diomedea nigripes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoebastria werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Phoebastria is Grieks, van phoibastria 'profetes, zieneres'. nigripes is Latijn, van niger 'zwart' en pes 'voet', naar de zwarte poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijke Grote Oceaan (30°44′N, 146°W).