Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Abessijnse brilvogel

Abessijnse brilvogel | Zosterops abyssinicus

Abyssinian White-Eye | Anteojitos abisinio

De Abessijnse brilvogel is de enige brilvogel van het Arabisch vasteland: een klein, geelgroen vogeltje met een witte oogring dat in kleine, onrustige groepjes door de jeneverbes- en acaciabossen van de bergen van Zuidwest-Arabië en Dhofar trekt. In Arabië komt de vorm arabs voor; daarnaast leeft een kleine, pas ontdekte populatie in de mangroven van de Saoedische Rode Zeekust.

Abessijnse brilvogel (Zosterops abyssinicus)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Groepjes houden voortdurend contact met een hoog, dun en zacht tsiu of tsie-tsie. De zang is een snel, hoog en wat schril gekwetter van fijne, dalende en stijgende tonen, vooral in de vroege ochtend.

Luister: ZangXC951078

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Klein en rondkoppig, met een fijne, licht gebogen snavel. De bovendelen zijn geelachtig olijfgroen, de keel en de onderstaartdekveren helder geel, borst en buik vuil geelwit tot grijzig wit. Rond het oog een brede, opvallende witte ring, aan de voorkant smal onderbroken, met een fijne zwarte teugelstreep. De vleugels en staart zijn donker met groene randen. De mangrovevogels zijn kleiner, met meer goudgeel in de keel en groenere bovendelen. Geslachten gelijk; jonge vogels hebben een minder volledige oogring.

Verwarrings­soorten

Op het Arabisch vasteland is er geen andere brilvogel, behalve een klein, geïsoleerd groepje Indische brilvogels (Zosterops palpebrosus) in de mangroven van het eiland Mahawt in Oman, die een geler keel, een groenere rug en een donkerdere snavel hebben. Bladkoningen en boszangers, zoals de Rüppells boszanger (Phylloscopus umbrovirens) van dezelfde bergbossen, missen de witte oogring. Honingzuigers, zoals de Arabische honingzuiger (Cinnyris hellmayri), hebben een lange, sterk gebogen snavel.

Leefgebied

Bergbossen van jeneverbes, acacia en wilde olijf, beboste wadi's, terrasakkers met bomen, tuinen en boomgaarden, meestal boven 1000 m en tot boven 3000 m; in Dhofar in het moessonbos van de kustbergen ook lager. Aan de Saoedische Rode Zeekust in oude, hoge mangroven aan de waterlijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Zuidwest-Saoedi-Arabië in de bergen van Asir en zuidelijk Hijaz, van de omgeving van Taif zuidwaarts, en in het Jemenitische hoogland van de grens tot het zuiden en het oosten van de bergketen; in Oman in de kustbergen van Dhofar. Daarnaast een kleine, kwetsbare populatie in de mangroven langs ongeveer 175 km van de Saoedische Rode Zeekust, tussen Ash Shuqaiq en Al Qunfudhah. Daarbuiten in Eritrea, Ethiopië, Djibouti, Noord-Somalië, Soedan, Kenia en Noord-Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Dhofar zijn Ayn Hamran, Ayn Razat en Wadi Darbat de bekende plekken, ook tijdens de koele khareef. In Saoedi-Arabië zijn de jeneverbesbossen rond Abha en het Asir-nationaal park betrouwbaar: luister naar de dunne contactroepjes van een groep die door de kruinen trekt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in de Arabische bergen plaatselijk algemeen. De mangrovepopulatie aan de Rode Zee is echter zeer klein en wordt bedreigd door kap en kustontwikkeling. Genetisch onderzoek wijst erop dat de Arabische vogels nauwer verwant kunnen zijn aan de socotrabrilvogel dan aan de Afrikaanse; de indeling kan dus nog veranderen.

Wetenschappelijke naam

Zosterops abyssinicus | Guérin-Méneville, 1843

Guérin-Méneville beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Zosterops werd in 1827 ingevoerd door Vigors & Horsfield. Zosterops komt van het Griekse zōstēr, 'gordel', en ōps, 'oog' — naar de witte oogring die de meeste brilvogels hebben. abyssinicus betekent 'Abessijns', naar Abessinië, de oude naam van Ethiopië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ethiopië.