Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Abessijnse scharrelaar
Abessijnse scharrelaar | Coracias abyssinicus
Abyssinian Roller | Carraca abisinia
Een slanke, helderblauwe scharrelaar met twee lange staartspelden, die in het gidsgebied alleen in de Tihama en de voetheuvels van Zuidwest-Saoedi-Arabië en West-Jemen thuis is. Daar zit hij als een grote klauwier op draden en acacia's langs de wegen; uit de Sahel bereiken soms zwervers de zuidrand van de Sahara.
Geluid
Een harde, kraaiachtige gak en een schel, schor kraaaa; in de baltsvlucht een ratelend, raspend gekrakeel terwijl de vogel tuimelt en rolt.
Opname: Julien Birard — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Lichaam ongeveer 28–30 cm, met de staartspelden tot 45 cm. Kop, hals en onderdelen helder lichtblauw tot turkoois, met een witachtig voorhoofd en kin en een zwart oogstreepje; rug kaneelbruin. In vlucht diep paarsblauwe voorvleugel en zwarte slagpennen, net als de scharrelaar. De buitenste staartpennen lopen uit in lange, smalle, donkere spelden; bij jonge vogels ontbreken die of zijn ze kort, en het verenkleed is doffer. Seksen gelijk.
Verwarringssoorten
De scharrelaar (Coracias garrulus), die door hetzelfde gebied trekt, is iets forser, heeft een recht afgesneden staart zonder spelden en geen wit voorhoofd; jonge abessijnse scharrelaars zonder spelden zijn daar lastig van te onderscheiden en vragen een goede blik op het lichte voorhoofd en de wat slankere bouw. De indische scharrelaar (Coracias benghalensis) heeft een bruine borst en een lichte vleugelband.
Leefgebied
Droog, open land met verspreide acacia's: doornstruweel en acaciasavanne van de Tihama, akkerland met draden en palen, dorpsranden en de lagere wadi's van het westelijk randgebergte. Jaagt vanaf een hoge uitkijkpost op grote insecten, hagedissen en kleine knaagdieren, en komt af op bosbranden om opgejaagde prooi te pakken. Nestelt in holten in bomen, termietenheuvels en gebouwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Standvogel in Zuidwest-Saoedi-Arabië, in de Tihama-kustvlakte en de voetheuvels van Asir en Jizan, en in West-Jemen, van de Tihama tot in de lagere wadi's van het randgebergte. Elders in het gidsgebied een dwaalgast uit de Sahel: oude balgen uit Nubië en recente waarnemingen in het uiterste zuiden van Algerije (Bordj Badji Mokhtar, 2025) en het zuidwesten van Egypte (2026). Daarbuiten door de hele Sahel- en Soedanzone van Senegal en Zuid-Mauritanië tot Ethiopië, Somalië en Noord-Kenia; de noordelijkste vogels trekken na de regentijd zuidwaarts.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rij in de Tihama, bijvoorbeeld rond Jizan of tussen Al Hudaydah en Zabid, langzaam langs de akkers en het acaciastruweel en kijk naar de draden: de vogels zitten opvallend en laten zich goed benaderen. Het hele jaar aanwezig, maar in het voorjaar het luidruchtigst door de baltsvluchten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. In Arabië beperkt tot een smalle strook langs de Rode Zee, waar hij goed lijkt te gedijen in het open landbouwgebied; over aantallen in Jemen is door de oorlog weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Coracias abyssinicus | Hermann, 1783
Hermann beschreef de soort in 1783 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coracias werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Coracias komt van het Oudgriekse korakias, afgeleid van korax 'raaf, kraai'; de Grieken doelden er op een kraaiachtige, waarschijnlijk de alpenkraai met zijn rode snavel. abyssinicus betekent 'Abessijns', naar Abessinië, de oude naam van Ethiopië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ethiopië.


