Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Indische scharrelaar
Indische scharrelaar | Coracias benghalensis
Indian Roller | Carraca india
De oostelijke tegenhanger van de scharrelaar, een standvogel van de Mesopotamische vlakte en het oosten van Arabië. Hij zit opvallend op draden en palen langs akkers, dadelpalmtuinen en parken, en is in de Emiraten en Noord-Oman de laatste decennia een vertrouwde vogel van het bevloeide land geworden.
Geluid
Een harde, schorre tsjak of kak, vaak herhaald, en in de baltsvlucht een luid, raspend gekras en gekakel terwijl de vogel tuimelt en rolt. Vooral in het voorjaar luidruchtig.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Iets gedrongener dan de scharrelaar. Kruin en achterhals blauwgroen tot donkerblauw, gezicht en keel lila met fijne witte streepjes, borst roodbruin tot vaal kaneelbruin, buik en onderstaart lichtblauw. De rug is olijfbruin. In vlucht opvallend: donkerblauwe slagpennen met een brede lichtblauwe band over de basis van de handpennen, en een lichtblauwe staart met een donkerblauwe eindband. Zware zwarte snavel. Seksen gelijk; jongen doffer en bruiniger.
Verwarringssoorten
De scharrelaar (Coracias garrulus) heeft een geheel lichtblauwe kop en borst en in vlucht zwarte slagpennen zonder lichte band. De abessijnse scharrelaar (Coracias abyssinicus) van Zuidwest-Arabië heeft lange staartspelden en een lichtblauwe borst. Vliegend kan hij aan een gaai (Garrulus glandarius) doen denken, die een witte stuit heeft en geen lichtblauw in de vleugel.
Leefgebied
Open bevloeid land met bomen en uitkijkposten: akkers, dadelpalmtuinen, boomgaarden, parken, golfbanen en dorpsranden, ook open doornstruweel met verspreide bomen. Jaagt vanaf draden en palen op grote insecten, hagedissen en kikkers op de grond. Broedt in boomholten, vaak in dadelpalmen, en in gaten in gebouwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Standvogel in Irak, in de vlakten van Midden- en Zuid-Irak langs de Eufraat en de Tigris. In de Emiraten broedt hij in het oosten en noorden: rond Al Ain, aan de oostkust bij Fujairah en Kalba, in Ras al-Khaimah, en steeds vaker in de parken en tuinen van Dubai en Abu Dhabi. In Oman broedt hij in het noorden, vooral in de Batinahvlakte. In Koeweit een schaarse zwerver in herfst, winter en voorjaar, vooral in de landbouwgebieden van Jahra en Abdali; in Oost-Saoedi-Arabië, Qatar en Bahrein zeldzaam, en elders in het gebied dwaalgast. Daarbuiten van Iran en Afghanistan door het hele Indisch subcontinent tot Myanmar.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Emiraten zit hij het hele jaar op de draden langs de akkers rond Al Ain en in de dadelpalmtuinen van de oostkust; in de winter ook in de parken van Dubai. Kijk naar de lichtblauwe vleugelband zodra hij opvliegt: dat onderscheidt hem van verre van een scharrelaar op trek.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De soort is wereldwijd algemeen, maar neemt in het Indisch subcontinent af, onder meer door verkeersslachtoffers langs wegen, bestrijdingsmiddelen en vangst. In het oosten van Arabië is hij juist toegenomen dankzij bevloeiing, aanplant van dadelpalmen en de groei van parken en tuinen.
Wetenschappelijke naam
Coracias benghalensis | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Corvus benghalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coracias werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Coracias komt van het Oudgriekse korakias, afgeleid van korax 'raaf, kraai'; de Grieken doelden er op een kraaiachtige, waarschijnlijk de alpenkraai met zijn rode snavel. benghalensis betekent 'uit Bengalen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chennai (Madras) in Tamil Nadu, India.


