Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Afrikaanse bonte kwikstaart
Afrikaanse bonte kwikstaart | Motacilla aguimp
African Pied Wagtail | Lavandera africana
De Afrikaanse bonte kwikstaart is een grote, contrastrijk zwart-witte kwikstaart van Afrikaanse rivieren, die het gidsgebied alleen in het uiterste zuiden van Egypte bereikt: langs de Nijl bij Aswan en het Nassermeer leeft een kleine, vaste populatie. Hij is daar tam en zit graag op boten, steigers en daken.
Geluid
Een luide, heldere roep, tsjiep of tsjuu-ie, harder en meer fluitend dan de roep van de witte kwikstaart. De zang is een gevarieerd, melodieus gekwetter van fluittonen en trillers, het hele jaar door te horen vanaf daken en boten.
Opname: Corné_29 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–21 cm, groter en zwaarder gebouwd dan de witte kwikstaart. De bovendelen, kop, keel en een brede borstband zijn diep glanzend zwart; het voorhoofd en een lange, brede wenkbrauwstreep zijn wit, net als de zijkant van de hals, die als een witte vlek onder het oorveld uitsteekt. De vleugel is zwart met een zeer grote witte vleugelvlek over de dekveren en de basis van de armpennen, die ook in zit een opvallend wit veld vormt. De onderzijde onder de borstband is wit, de lange staart zwart met witte buitenste staartpennen, de poten zwart. Vrouwtjes zijn iets doffer; jonge vogels zijn grijsbruin van boven waar de volwassen vogels zwart zijn, met een vaag bruin borstschild.
Verwarringssoorten
De witte kwikstaart (Motacilla alba), die in de winter talrijk langs de Nijl voorkomt, heeft een grijze rug, een wit gezicht met hooguit een zwarte kruin en een veel kleinere witte vleugeltekening van twee smalle banden. De gemaskerde vorm personata en de Marokkaanse vorm subpersonata van de witte kwikstaart hebben veel zwart op kop en keel, maar ook een grijze rug. Alleen de Afrikaanse bonte kwikstaart is zwart van boven met een witte wenkbrauw en een grote witte vleugelvlek.
Leefgebied
Oevers van grote rivieren en meren, zandbanken, rotsoevers en eilandjes in de Nijl, en vooral ook dorpen, kades, steigers, tuinen en akkers dicht bij het water. Broedt in holtes in muren, onder daken, in bruggen en op rivierboten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen in Zuid-Egypte: langs de Nijl van ongeveer Kom Ombo en Aswan zuidwaarts en rond het Nassermeer tot Abu Simbel en de grens met Soedan, een kleine, standvogelpopulatie van de Nijlvorm vidua. Ten noorden van Aswan hooguit een zeldzame zwerver. Daarbuiten wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van de Sahel en Soedan tot Zuid-Afrika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bij Aswan, op de Nijl rond de eilanden en bij de aanlegsteigers van de felucca's, en bij het Nassermeer bij Abu Simbel. Kijk op dakranden van hotels, op boten en langs de kade; de vogels zijn tam en laten zich van dichtbij bekijken. In de winter loopt hij er tussen talrijke witte kwikstaarten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. De Egyptische populatie is klein en geïsoleerd, aan de noordrand van het areaal, maar lijkt stabiel; hij profiteert van menselijke bebouwing langs het water.
Wetenschappelijke naam
Motacilla aguimp | Temminck, 1820
Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. aguimp is de naam die de Nama volgens Levaillant voor deze vogel gebruikten: twee lettergrepen met elk een klik, met de betekenis 'oeverloper'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit benedenloop van de Oranjerivier.


