Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Afrikaanse pimpelmees
Afrikaanse pimpelmees | Cyanistes teneriffae
African Blue Tit | Herrerillo africano
De blauwe mees van Noord-Afrika: donkerder en scherper getekend dan de pimpelmees, waarvan hij tegenwoordig als aparte soort wordt gescheiden. In het gidsgebied is hij een algemene standvogel van de bossen, boomgaarden en tuinen van de Maghreb, met een geïsoleerde vorm in de bergbossen van Cyrenaica in Libië.
Geluid
De zang is een helder tsie-tsie-tsurrr met een droge, ratelende afsluiting, sneller en harder dan bij de pimpelmees. Roept een schel, boos tsjerrr-r-r en dunne tsi-tsi-contactroepjes; in het bos verraadt het geluid hem meestal eerst.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm. Een kleine, compacte mees met een korte, spitse snavel. De kruin is donker blauwzwart, niet lichtblauw; een zwarte oogstreep loopt door tot een zwarte nekband, zodat de witte wang scherp omlijst is. Een smalle zwarte keelvlek zet zich voort als een donkere streep over de heldergele buik. Mantel blauwgrijs zonder groene tint, vleugels en staart kobaltblauw met een duidelijke witte vleugelstreep. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met gelige wangen en een grijsbruine kruin. De Libische vorm cyrenaicae mist de witte vleugelstreep vrijwel en heeft een nog donkerdere kop.
Verwarringssoorten
De pimpelmees (Cyanistes caeruleus) komt in Noord-Afrika niet voor; die heeft een lichtblauwe kruin, een groenige mantel en geen donkere buikstreep. De koolmees (Parus major) is groter, heeft een glanzend zwarte kop zonder blauw en een brede zwarte buikstreep op een groengele rug. De zwarte mees (Periparus ater) is grijs en bleek geelbruin, zonder blauw of geel, en heeft een witte nekvlek.
Leefgebied
Bijna overal met bomen: ceder-, kurkeiken- en steeneikenbos in de Rif, de Atlas en de Kabylië, gemengd naaldbos, ooibos langs rivieren, olijfgaarden, boomgaarden, parken en tuinen tot in de steden. Aan de woestijnrand ook in oases met dadelpalmen en tamarisken. Nestelt in boomholten, muurgaten en nestkasten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko algemeen in het noorden en de Atlas, van de Atlantische vlakte en de Rif tot de Hoge Atlas en de Anti-Atlas, plaatselijk tot in de oases van de woestijnrand. In het noorden van Algerije en Tunesië wijd verbreid in de Tell, de Kabylië, de Aurès en de Kroumirie, zuidwaarts tot de eerste oases. In Libië alleen de eigen vorm cyrenaicae in de Jebel Akhdar van Cyrenaica. Daarbuiten op de Canarische Eilanden, waar vrijwel elk eiland een eigen ondersoort heeft, en op Pantelleria.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het cederbos bij Azrou en Ifrane in de Midden-Atlas en de kurkeikenbossen rond Aïn Draham in Tunesië: in de vroege ochtend zingen ze er overal, en op picknickplekken komen ze dichtbij. Wie de Libische vorm zoekt, moet naar de jeneverbes- en cipressenbossen van de Jebel Akhdar.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in de Maghreb algemeen. Plaatselijk speelt het verlies van oud bos met holten door kap, brand en overbegrazing; de kleine, geïsoleerde populatie in Cyrenaica is kwetsbaarder door houtkap en ontbossing in de Jebel Akhdar.
Wetenschappelijke naam
Cyanistes teneriffae | (Lesson, 1831)
Lesson beschreef de soort in 1831 als Parus Teneriffae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cyanistes werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cyanistes komt van het Griekse kuanos 'donkerblauw'. teneriffae is Latijn voor 'van Tenerife', het Canarische eiland waarvan het beschreven exemplaar afkomstig was. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tenerife op de Canarische Eilanden.


