Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Pimpelmees

Pimpelmees | Cyanistes caeruleus

Eurasian Blue Tit | Herrerillo común

De bekende blauwgele tuinmees van Europa is in het gidsgebied een vogel van de rand: hij leeft alleen in de eiken- en cederbossen van Libanon, Syrië, het noorden van Jordanië en Koerdisch Irak. In Noord-Afrika wordt hij vervangen door de Afrikaanse pimpelmees, en in Israël ontbreekt hij vrijwel.

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)
Foto: Kathy Büscher from Rinteln, Deutschland — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder tsie-tsie-tsuhuhuhu, twee of drie hoge tonen gevolgd door een vloeiende triller. Roept een schel, scheldend tserretetet en dunne tsi-tsi-tsi-contactroepjes.

Luister: ZangXC1185195

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10,5–12 cm. Klein en rond, met een korte, fijne snavel. Kruin lichtblauw, omzoomd door een witte band; een donkerblauwe oogstreep en een donkere nekband omlijsten de witte wang. Kin en een smalle keelstreep donker blauwzwart, onderdelen geel met hooguit een vage donkere middenstreep. Mantel groenig, vleugels en staart blauw met een smalle witte vleugelstreep. De oostelijke vormen in Irak en de Levant zijn wat bleker geel en grijzer op de rug. Jonge vogels hebben gele wangen en een groenbruine kruin.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse pimpelmees (Cyanistes teneriffae) van de Maghreb heeft een donker blauwzwarte kruin, een blauwgrijze mantel en een duidelijke donkere buikstreep; de arealen raken elkaar niet. De koolmees (Parus major) is groter, met een zwarte kop en een brede zwarte buikstreep. De zwarte mees (Periparus ater) heeft een zwarte kop met witte nekvlek en geen geel of blauw.

Leefgebied

Eikenbos en gemengd loofbos in de bergen, cederbos en dennenbos met loofhout, beboste rivierdalen met platanen en populieren; daarnaast boomgaarden, parken en dorpstuinen aan de bosrand. In Jordanië in de gemengde dennen- en eikenbossen van de noordelijke hooglanden. Nestelt in boomholten en nestkasten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Libanon in de bergbossen van de Libanon en de Anti-Libanon, plaatselijk tot aan de kust, en in Syrië in de kustgebergten en het noordwesten. In Jordanië alleen in de noordelijke hooglanden rond Ajloun, Dibbin en Jerash. In Irak in de eikenbossen van Koerdistan, van Mosul en Zakho tot Sulaymaniyah. In Israël zeer zeldzaam; uit de Maghreb en Libië zijn geen zekere gevallen bekend, omdat de vogels daar tot de Afrikaanse pimpelmees behoren. Daarbuiten van Europa en Turkije tot de Kaukasus, Noord-Iran en de Zagros.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De bosreservaten van Dibbin en Ajloun in Jordanië zijn de zuidelijkste betrouwbare plekken; in Libanon het cederreservaat van Tannourine en de bossen rond Mar Chaaya. In Koerdisch Irak zingt hij in het voorjaar in de eikenbossen van Barzan en Peramagroon.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa zeer algemeen. In het gidsgebied beperkt tot een smalle strook bergbos, die door kap, branden, oorlog en bebouwing onder druk staat; in Jordanië is de populatie klein en afhankelijk van een paar beschermde bossen.

Wetenschappelijke naam

Cyanistes caeruleus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Parus caeruleus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cyanistes werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cyanistes komt van het Griekse kuanos 'donkerblauw'. caeruleus is Latijn voor 'donkerblauw, hemelsblauw'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.