Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Amethistspreeuw

Amethistspreeuw | Cinnyricinclus leucogaster

Violet-Backed Starling | Estornino amatista

De amethistspreeuw is een kleine Afrikaanse spreeuw waarvan het mannetje in de zon glanst in amethistpaars en wit. In het gidsgebied is hij een zomergast in de bergen en uitlopers van Zuidwest-Arabië, waar hij in vijgen- en acaciabomen naar vruchten zoekt.

Amethistspreeuw (Cinnyricinclus leucogaster)
Foto: Bernard DUPONT — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrij stil. De zang is een zacht, kort reeksje fluitende en kwetterende tonen; roept een zacht, opwaarts tsjip of een fluitend tsjoe-wiet.

Luister: ZangXC840947

Opname: David C. Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm. Klein en compact, met een korte, iets gevorkte staart en een korte zwarte snavel; oog donker met een gele iris bij volwassen vogels. Het mannetje is boven, op kop, keel en bovenborst glanzend amethist- tot violetpaars, scherp afgezet tegen de zuiver witte rest van de onderzijde; de glans kan in schaduw bijna zwart lijken. Het vrouwtje is totaal anders: boven warmbruin met lichte, geschubde veerranden, onder wit met dichte, donkerbruine druppelvormige streping, als een kleine lijster. Jonge mannetjes lijken op het vrouwtje en krijgen geleidelijk paarse veren.

Verwarrings­soorten

Het mannetje is onmiskenbaar. Vrouwtjes kunnen lijken op een kleine lijster zoals de zanglijster (Turdus philomelos), maar zijn kleiner, korter van staart en snavel, met een opvallend geschubde rug en een spreeuwachtig, recht vliegbeeld. Vrouwtjes van de roze spreeuw (Pastor roseus) zijn groter, ongestreept en zandkleurig.

Leefgebied

Bebost terrein met vruchtdragende bomen: acaciasavanne, bergbos met jeneverbes en vijgen, wadi's met grote bomen en oeverbos, ook grote tuinen en boomgaarden. Leeft vooral in de kronen, in paren of in groepjes; eet vruchten en insecten, die hij ook in de vlucht vangt. Broedt in boomholten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt als zomergast in Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië in Asir en de uitlopers van de Tihama, zuidwaarts door het westelijk hoogland en de wadi's van Jemen, en in Dhofar in Oman, waar hij met de moesson in de beboste kustbergen verschijnt. Zeldzame dwaalgast verder naar het noorden, onder meer in Israël en Jordanië; in Egypte zeer zeldzaam. Daarbuiten wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en zuidwaarts tot Zuid-Afrika; de Arabische vogels overwinteren vermoedelijk in Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van mei tot augustus in de vijgenbomen van de wadi's in Asir of in de khareef-bossen van Dhofar bij Salalah: een glinsterend paars mannetje op een kale tak is onvergetelijk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië afhankelijk van grote vruchtdragende bomen in wadi's en bergbos, die door kap en begrazing onder druk staan.

Wetenschappelijke naam

Cinnyricinclus leucogaster | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Turdus leucogaster; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinnyricinclus werd in 1840 ingevoerd door Lesson. Cinnyricinclus combineert Cinnyris, het geslacht van de honingzuigers, met het Nieuwlatijnse cinclus, 'lijster' — een 'honingzuigerlijster', vermoedelijk naar het glanzende verenkleed van het mannetje. leucogaster komt van het Griekse leukos, 'wit', en gastēr, 'buik' — naar de witte buik die scherp afsteekt tegen de violette bovendelen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit geen vindplaats vermeld; later vastgelegd als Ouidah, Benin.