Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Arabische steenpatrijs
Arabische steenpatrijs | Alectoris melanocephala
Arabian Partridge | Perdiz árabe
De grootste en zwaarste van de Alectoris-patrijzen, een endemische vogel van de bergen van West- en Zuid-Arabië. Waar de jeneverbesbossen van de Asir overgaan in terrassen en rotsige wadi's, roept hij in groepjes vanaf blokken en muurtjes; in de dorpen van Jemen en Dhofar loopt hij soms vlak langs de huizen.
Geluid
Een luide, rollende reeks die versnelt, tsjoek-tsjoek-tsjoek-tsjoekar-tsjoekar, voller en ruwer dan die van de Aziatische steenpatrijs, vaak door meerdere vogels tegelijk, vooral vroeg in de ochtend. Bij onraad een scherp, herhaald tsjik en bij opvliegen een schor gekakel.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 39 cm, groot, hoogpotig en langstaartig voor een steenpatrijs. Kenmerkend is de kop: een zwarte kruin en zwarte streep door het oog, gescheiden door een brede witte wenkbrauwstreep, en een zuiver witte keel die wordt omlijnd door een zwarte band. Onder die band loopt een smalle zone van zwarte en witte strepen over de halszijden. Nek en borst grijs, buik warm geelbruin; flanken met opvallende zwarte en kastanjebruine banden op grijs. Bovendelen grijsbruin. Snavel, oogring en poten rood. Seksen gelijk, de haan groter en met een spoor. De oostelijke ondersoort A. m. guichardi is bleker en zandkleuriger.
Verwarringssoorten
Philby's steenpatrijs (Alectoris philbyi) deelt de hooglanden van de Asir en Noord-Jemen maar is kleiner, met een geheel zwarte keel en zwarte wangen en een blauwgrijze kruin; hij zit doorgaans hoger in open rotsterrein. De Arabische woestijnpatrijs (Ammoperdix heyi) is veel kleiner, zandkleurig, zonder zwarte keelband en met oranje snavel. De Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar) komt alleen in het noorden van het gidsgebied voor.
Leefgebied
Beboste en struikrijke berghellingen: open jeneverbesbos, acaciastruweel, rotsige wadi's met dichte begroeiing, en de randen van terrasakkers en bergdorpen, van de uitlopers boven de Tihama tot ruim 2500 meter in de Asir. In Dhofar op de beboste moessonhellingen en in droge wadi's aan de landzijde van de bergen. Heeft meer dekking nodig dan de andere steenpatrijzen. Eet zaden, bessen, groen en ongewervelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Endemisch voor Arabië. In Saoedi-Arabië langs de bergen van de Hejaz en de Asir, van de omgeving van Taif en Al Baha zuidwaarts tot de Jemenitische grens, met een in 2022 ontdekte noordelijke populatie in de Harrat Uwayrid; in Jemen over het westelijke en zuidelijke hoogland tot de Hadramaut; en in Oman in de Dhofarbergen. In het oosten van Jemen leeft de ondersoort A. m. guichardi. Nergens anders ter wereld; vermeldingen uit de Emiraten gaan terug op uitgezette vogels.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het Asir-gebergte bij Abha en Tanomah of rond Al Baha, kort na zonsopgang langs terrassen en jeneverbesbos: de roep klinkt ver. In Dhofar zijn Wadi Darbat en de wadi's rond Ayn Hamran en Ayn Razat beproefd, waar groepjes vroeg in de ochtend naar het water komen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de soort is binnen zijn areaal plaatselijk algemeen en de stand lijkt stabiel. Jacht, overbegrazing en het verlaten van oude terrassen drukken de aantallen plaatselijk, terwijl bescherming in gebieden als het Asir-nationaal park helpt. Over de stand in Jemen is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Alectoris melanocephala | (Rüppell, 1835)
Rüppell beschreef de soort in 1835 als Perdix melanocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alectoris werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Alectoris is Grieks, van alektoris 'hen, erfhoen', bij alektōr 'haan'. melanocephala is Grieks voor 'zwartkoppig', van melas 'zwart' en kephalē 'kop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bergen bij Djedda in Saoedi-Arabië.


