Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Armeense meeuw

Armeense meeuw | Larus armenicus

Armenian Gull | Gaviota armenia

Een compacte grote meeuw van de bergmeren in de Kaukasus, Oost-Turkije en Noordwest-Iran, die vrijwel geheel in het oostelijke Middellandse Zeegebied overwintert. De Levantkust van Israël en Libanon is zijn belangrijkste winterkwartier, en daarmee is het gidsgebied voor deze soort van wereldbelang.

Armeense meeuw (Larus armenicus)
Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lachroep die lager en heser is dan bij de zilvermeeuw en lijkt op die van de geelpootmeeuw; in de winter vooral korte kjau-roepen tijdens het foerageren.

Luister: VluchtroepXC779601

Opname: Marcin Sołowiej — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot voor een grote meeuw, compact en rond van kop, met een middengrijze mantel die iets donkerder is dan bij de geelpootmeeuw. De snavel is kort en stomp, geel met een rode gonysvlek en in de winter, en vaak ook in de broedtijd, een zwarte subterminale band; het oog is vaak donker of gespikkeld, met een rode oogring. De poten zijn geel. De vleugelpunt is overwegend zwart, met slechts een kleine witte spiegel op p10 en soms een vlekje op p9; de kop is in de winter licht gestreept. Eerstejaars lijken op jonge geelpootmeeuwen, maar zijn kleiner met een kortere snavel, een egaler bruine bovenkant en een bredere staartband.

Verwarrings­soorten

De geelpootmeeuw (Larus michahellis) is groter en forser, met een langere snavel zonder zwarte band, een licht oog en wat meer wit in de vleugelpunt. De Pontische meeuw (Larus cachinnans) is langer en slanker, met een lange, dunne snavel, een lichtere mantel, vaalroze poten en veel wit in de vleugelpunt. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus), vooral de vorm barabensis, heeft ook gele poten, maar een donkerder mantel en langere vleugels. Ook de ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) heeft een geringde snavel, maar is veel kleiner en komt in dit deel van het gebied nauwelijks voor.

Leefgebied

In de winter aan de kust, in havens, riviermondingen, visvijvers, stuwmeren en op vuilstortplaatsen, ook op meren en rivieren in het binnenland. Broedt buiten het gebied in kolonies op eilandjes in bergmeren op 1.500–2.500 meter hoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de winter talrijk langs de kust van Israël (van Rosh HaNikra tot Asjdod), in de Hula-vallei en in kleiner aantal tot Eilat, en langs de kust van Libanon; in kleinere aantallen aan de kust van Syrië, in Egypte in de Nijldelta, bij het Suezkanaal en aan de noordelijke Rode Zee, in Jordanië bij Akaba, en in Irak; zeldzaam aan de Perzische Golf. Ten westen van Egypte niet bekend. Daarbuiten broedt hij in Armenië (vooral Sevan- en Arpimeer), Georgië, Oost-Turkije en Noordwest-Iran, en overwintert hij ook in Turkije en op Cyprus.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De visvijvers en de kust bij Ma'agan Michael en de havens van Haifa en Akko in Israël zijn in de winter klassieke plekken om de soort naast geelpoot- en Pontische meeuwen te bekijken; let op het korte, gebandeerde snaveltje en het donkere oog.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (beoordeling 2021), maar de wereldpopulatie is klein en geconcentreerd op een beperkt aantal broedmeren, waardoor verstoring en verandering van de waterstand daar zwaar wegen. In het gidsgebied hangt hij af van vuilstorten, visvijvers en kustwateren in een sterk verstedelijkte Levantkust.

Wetenschappelijke naam

Larus armenicus | Buturlin, 1934

Buturlin beschreef de soort in 1934 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. armenicus betekent 'Armeens', naar Armenië, waar de soort broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Sevanmeer in Armenië.