Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Zilvermeeuw

Zilvermeeuw | Larus argentatus

European Herring Gull | Gaviota argéntea

De bekende grote meeuw van de Noordwest-Europese kusten, die in het gidsgebied maar zelden verschijnt: vooral in de winter aan de kusten van Marokko, waar hij tussen de veel talrijkere geelpootmeeuwen en kleine mantelmeeuwen gezocht moet worden. Oudere meldingen van 'zilvermeeuwen' uit het Midden-Oosten hebben meestal betrekking op andere soorten.

Zilvermeeuw (Larus argentatus)
Foto: Thomas Andy Branson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een heldere, jankende lachroep kjauw-kjauw-kjauw, hoger en helderder dan bij de geelpootmeeuw, en een kort ga-ga-ga bij onrust.

Luister: VluchtroepXC1184281

Opname: Sam Hambly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een grote, forse meeuw met een lichtgrijze mantel, de lichtste van de grote meeuwen in het gebied. Volwassen vogels hebben een geel oog met een oranjegele oogring, een gele snavel met een kleine rode gonysvlek en vleeskleurig roze poten. De vleugelpunt is zwart met witte spiegels op p9 en p10. In de winter zijn kop en hals dicht bruin gestreept en gevlekt, juist wanneer de geelpootmeeuw al een witte kop heeft. Eerstejaars zijn egaal grijsbruin geblokt en gestreept, met lichte binnenste handpennen die in vlucht een bleek 'venster' vormen, een donkere snavel en een brede, rommelige staartband.

Verwarrings­soorten

De geelpootmeeuw (Larus michahellis) heeft een donkerder mantel, felgele poten, een rode oogring, meer zwart in de vleugelpunt en in de winter een witte kop. De Pontische meeuw (Larus cachinnans) is slanker, met een kleine witte kop, een lange parallelle snavel, een klein donker oog en veel wit in de vleugelpunt. De Armeense meeuw (Larus armenicus) is kleiner en donkerder, met een stompe snavel met zwarte band. De ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) is veel kleiner, met gele poten en een geringde snavel.

Leefgebied

In het gidsgebied aan stranden, riviermondingen, havens en vuilstortplaatsen, meestal tussen andere grote meeuwen. In Europa broedt hij op duinen, kliffen, eilanden en daken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko een schaarse tot zeldzame wintergast aan de Atlantische kust en de Middellandse Zeekust, met enkele vogels per jaar tussen de andere grote meeuwen, vooral eerstejaars; nog zeldzamer in Algerije en Tunesië. In Libië, Egypte en de Levant uitzonderlijk, en uit Arabië en Irak zijn betrouwbare gevallen nauwelijks bekend: oude meldingen hebben daar vrijwel steeds betrekking op Pontische meeuwen, Armeense meeuwen of oostelijke kleine mantelmeeuwen. Daarbuiten broedt hij van IJsland en de Britse Eilanden via Noordwest-Europa en Scandinavië tot Noordwest-Rusland en de Witte Zee; hij overwintert grotendeels in die streken, zuidelijk tot Noord-Spanje.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de winter bij de vissershavens en riviermondingen van Noord-Marokko, bijvoorbeeld bij Tanger, Larache of Kenitra, naar een grote meeuw met een gestreepte kop, roze poten en een opvallend lichte mantel tussen de witkoppige geelpootmeeuwen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, al is de soort in delen van Noordwest-Europa sinds de jaren negentig sterk afgenomen. In het gidsgebied een zeldzame gast zonder rol als broedvogel.

Wetenschappelijke naam

Larus argentatus | Pontoppidan, 1763

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. argentatus is Latijn voor 'met zilver versierd', naar het zilvergrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.