Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kleine mantelmeeuw
Kleine mantelmeeuw | Larus fuscus
Lesser Black-Backed Gull | Gaviota sombría
De donkerruggige grote meeuw van het gidsgebied, die er niet broedt maar 's winters langs bijna elke kust te vinden is. Vier vormen komen samen: westelijke vogels aan de Atlantische kust van Marokko, de zwarte Baltische mantelmeeuw op doortrek langs de Nijl en de Rode Zee, en de Siberische vormen heuglini en barabensis, die in groten getale in de Golf, de Rode Zee en Oman overwinteren.
Geluid
Voller en lager dan de zilvermeeuw: een rauw, blaffend ga-ga-ga en een klaaglijk kjauw. In het gidsgebied laten groepen op slaapplaatsen en vuilnisbelten zich het meest horen.
Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Een grote meeuw met lange, smalle vleugels die ver voorbij de staart reiken, een vrij slanke gele snavel met rode gonysvlek, een licht oog en gele poten. De mantelkleur verschilt per vorm: leigrijs bij graellsii, donkerder bij intermedius, vrijwel zwart en zonder contrast met de vleugelpunt bij de slanke Baltische fuscus, donker leigrijs bij heuglini en duidelijk lichter, middengrijs met veel zwart in de vleugelpunt, bij barabensis. In winterkleed is de kop bij westelijke vogels gestreept, bij fuscus en barabensis vrijwel wit. Eerstejaars zijn donkerbruin geschubd, met een zwarte snavel, een brede zwarte staartband en donkere binnenste handpennen zonder licht venster; volwassen kleed wordt pas in het vierde kalenderjaar bereikt.
Verwarringssoorten
De geelpootmeeuw (Larus michahellis) en de armeense meeuw (Larus armenicus) hebben ook gele poten, maar een lichtere, blauwgrijze mantel en een zwaardere kop. De pontische meeuw (Larus cachinnans) is lichter van mantel, met een lange, peervormige kop, een klein donker oog en vleeskleurige tot geelachtige poten. De grote mantelmeeuw (Larus marinus) is veel groter, met een enorme snavel en vleeskleurige poten. De Hemprichs meeuw (Ichthyaetus hemprichii) en de witoogmeeuw (Ichthyaetus leucophthalmus) van de Rode Zee en Arabische kusten zijn kleiner en hebben een donkere kap en een bruinige mantel. Het onderscheid tussen barabensis, heuglini en de pontische meeuw in de Golf is lastig en berust op mantelkleur, rui en vleugeltekening.
Leefgebied
Kusten, havens, lagunes, getijdenvlakten en open zee; landinwaarts op vuilnisbelten, akkers, visvijvers, stuwmeren en langs grote rivieren als de Nijl, de Eufraat en de Tigris. Rust op stranden en zandbanken en volgt vissersboten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt niet in het gidsgebied. Westelijke vogels (graellsii en intermedius) overwinteren in tienduizenden langs de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara en landinwaarts op vuilnisbelten en akkers, en in kleinere aantallen langs de Middellandse Zeekust tot Tunesië. De Baltische mantelmeeuw (fuscus) trekt in het najaar en voorjaar door Libië, Egypte (Nijldal, de deltameren, het Suezkanaal), Israël (Eilat) en langs de Rode Zee naar Oost-Afrika; een deel blijft hangen. De vorm heuglini overwintert talrijk langs de hele Rode Zee, de Golf van Aden, Socotra, de Arabische Zee en de Perzische Golf, van Egypte en Saoedi-Arabië via Jemen tot Oman, de Emiraten, Qatar, Bahrein en Koeweit, en trekt door Irak. De steppemeeuw barabensis overwintert vooral aan de Golfkust en in Oman, waar hij plaatselijk de gewoonste grote meeuw is. Onvolwassen vogels zomeren op veel plekken. Daarbuiten broedt de soort van IJsland en West-Europa tot Noord-Siberië en de steppen van Kazachstan en overwintert tot West- en Oost-Afrika en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Aan de Marokkaanse Atlantische kust (Essaouira, Agadir, de Souss-monding) zijn de westelijke vormen 's winters overal te zien. In Oman zijn de stranden van Barr al Hikman, Masirah en Salalah en de visafslag van Muscat ideaal om heuglini en barabensis naast pontische meeuwen te bestuderen. In Eilat trekken in maart en april Baltische mantelmeeuwen langs.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De westelijke vormen zijn de laatste decennia sterk toegenomen en overwinteren steeds meer bij vuilnisbelten; de Baltische mantelmeeuw is in zijn broedgebied sterk afgenomen. In het gidsgebied een algemene wintergast en doortrekker. Sommige auteurs behandelen heuglini en barabensis als aparte soorten; deze gids volgt AviList, die ze bij de kleine mantelmeeuw indeelt.
Wetenschappelijke naam
Larus fuscus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus voerde hij in datzelfde werk in. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. fuscus is Latijn voor 'donker', zwart of bruin, naar de donkere mantel en vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


