Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kelpmeeuw
Kelpmeeuw | Larus dominicanus
Kelp Gull | Gaviota dominicana
Een grote, zwartmantelige meeuw van het zuidelijk halfrond, die met een kleine, sinds enkele decennia gevestigde broedpopulatie in Mauritanië en Senegal tot aan de rand van het gidsgebied reikt. Aan de Atlantische kust van Zuid-Marokko en de Westelijke Sahara wordt hij tegenwoordig vrijwel jaarlijks gezien, vaak tussen kleine mantelmeeuwen.
Geluid
Een diep, schor kjaa en een lachende roepreeks, lager dan bij de kleine mantelmeeuw; buiten de broedtijd weinig te horen.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en zwaargebouwd, met een leigrijze tot bijna zwarte mantel en vleugels, een zware gele snavel met een rode gonysvlek en olijfgroene tot groengele poten. De West-Afrikaanse vogels (vorm vetula) hebben meestal een donker oog. De vleugelpunt is zwart met slechts één kleine witte spiegel op p10; de witte achterrand van de vleugel is breed. In vlucht oogt hij breedvleugelig en log. Jonge vogels zijn donker grijsbruin met een zwarte snavel; ze krijgen stapsgewijs de zwarte mantel en zijn pas na vier jaar volwassen.
Verwarringssoorten
De grote mantelmeeuw (Larus marinus) is nog groter, met roze poten, een licht oog en veel meer wit in de vleugelpunt; bij Khnifiss komen beide soorten samen voor. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus), vooral de donkere vorm intermedius, is kleiner en slanker, met heldergele poten, een licht oog, een slankere snavel en langere vleugelpunten. Jonge kelpmeeuwen zijn lastig te scheiden van jonge kleine en grote mantelmeeuwen; de forse snavel en de poten helpen.
Leefgebied
Zandstranden, rotskusten, lagunes en riviermondingen, en vooral vissershavens en visfabrieken aan de woestijnkust, waar hij met andere meeuwen rust en naar visafval zoekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen bekend van de Atlantische kust van Zuid-Marokko en de Westelijke Sahara: de meeste waarnemingen komen van de lagune van Khnifiss, Akhfenir, Mhiriz en Dakhla, met losse vogels noordelijker tot bij Agadir. Het gaat om enkele vogels per jaar, soms tot vier tegelijk; broeden is in het gebied niet vastgesteld (eerder gemelde broedvogels bij Khnifiss bleken grote mantelmeeuwen). Uit de rest van het gebied is hij niet bekend. Daarbuiten broedt hij aan de kusten van Zuid-Amerika, zuidelijk Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland en subantarctische eilanden, en sinds enkele decennia in kleine aantallen in Mauritanië en Senegal; zwervers bereiken de Canarische Eilanden en uitzonderlijk Europa.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De vissershavens en visfabrieken tussen Tarfaya, Akhfenir en Dakhla, met hun grote groepen kleine mantelmeeuwen, zijn de beste plekken; let tussen november en april op een vogel die zwaarder en donkerder is dan de rest, met groenige poten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in grote delen van zijn verspreidingsgebied talrijk. In het gidsgebied een schaarse niet-broedende gast, waarvan het aantal waarnemingen met de groei van de West-Afrikaanse populatie lijkt toe te nemen.
Wetenschappelijke naam
Larus dominicanus | Lichtenstein, 1823
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. dominicanus verwijst naar de dominicanen, wier zwart-witte habijt doet denken aan het kleed van deze meeuw met zijn zwarte rug en witte kop en buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit kust van Brazilië.

