Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Bosgors

Bosgors | Emberiza rustica

Rustic Bunting | Escribano rústico

De bosgors is een gors van de natte taiga van Noord-Europa en Siberië, die normaal in Oost-Azië overwintert. In het gidsgebied is hij een zeldzame dwaalgast, met een handvol waarnemingen in het oosten, vooral in de late herfst en winter.

Bosgors (Emberiza rustica)
Foto: Лариса Артемьева — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, hard tsjip of tsik, scherper dan die van de rietgors en zonder de daling; die roep is doorgaans het enige wat een dwaalgast laat horen. De zang, een zachte, weemoedige fluitreeks, is in het gebied niet te verwachten.

Luister: ZangXC1168791

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14,5 cm, iets groter dan een dwerggors en met een puntige kruin die als een kuifje omhoog kan. In de winter, wanneer hij hier verschijnt, heeft het mannetje een bruin-zwarte gevlekte kop met een brede witte wenkbrauwstreep en een witte vlek achter de oorstreek; vrouwtje en jonge vogel hebben hetzelfde patroon in bruin. Kenmerkend zijn de roestbruine nek, een roestbruine borstband die in vlekjes kan zijn opgelost, roestbruine strepen op de flanken tegen een witte buik, twee witte vleugelstrepen en een roestbruine, geschubde stuit. De snavel is tweekleurig met een lichtroze ondersnavel, de poten vleeskleurig.

Verwarrings­soorten

De rietgors (Emberiza schoeniclus) heeft geen roestbruine borstband en flankstrepen, een grijsbruine stuit en een klaaglijk tsiuu. De dwerggors (Emberiza pusilla) is kleiner, met een roestbruine wang omlijst door zwart en zwarte in plaats van roestbruine strepen op de onderdelen. Vrouwtjes van de witkopgors (Emberiza leucocephalos) hebben een bruine, niet roestbruin gestreepte borst en geen opvallende witte wenkbrauw.

Leefgebied

Op de trek en in de winter in akkerranden, ruige grond met struiken bij water, oases, parken en tuinen. Zoekt zaden op de grond, vaak in de buurt van struiken waar hij bij verstoring in wegschiet, soms in gezelschap van andere gorzen of vinken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een zeldzame dwaalgast in het oosten van het gebied: een handvol gevallen in Israël, Koeweit (onder meer in de oase Al-Abraq), de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, en losse meldingen elders in Arabië en de Levant; in Noord-Afrika vrijwel onbekend. De meeste vogels werden van oktober tot in de winter gezien. Broedt van Noord-Scandinavië door de taiga tot Kamtsjatka en overwintert vooral in China, Korea en Japan.

Hoe en wanneer kijken

Geen soort om gericht te zoeken; de kans is het grootst in de late herfst in een vogelrijke oase of park in de Golfstaten of Koeweit, tussen andere gorzen en piepers. Let op een hard tsik en een gors met roestbruine flanken en een opstaand kuifje.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort is sinds de jaren 1980 over een groot deel van het broedgebied sterk achteruitgegaan, in Scandinavië en Rusland met naar schatting driekwart of meer in enkele decennia, waarschijnlijk door vangst en verlies van wetlands in de overwinteringsgebieden in Oost-Azië. Dwaalgasten in het gidsgebied worden mede daardoor zeldzamer.

Wetenschappelijke naam

Emberiza rustica | Pallas, 1776

Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. rustica is Latijn voor 'landelijk, eenvoudig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Transbaikalië in Siberië.