Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Dwerggors
Dwerggors | Emberiza pusilla
Little Bunting | Escribano pigmeo
De dwerggors is een kleine Siberische gors die in het gidsgebied als zeldzame doortrekker en wintergast opduikt, vooral in de Golfstaten, Oman, Koeweit en Israël. Wie hem vindt, vindt hem meestal tussen piepers en mussen in een oase, een akkerrand of een dadelpalmtuin.
Geluid
De roep doet het werk: een kort, hard en droog tik, alsof twee steentjes tegen elkaar tikken, scherper en korter dan alles wat een rietgors laat horen. Zang is in het gebied niet te verwachten.
Opname: Peter Zeller — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13,5 cm, een kleine, compacte gors met een vrij korte staart en wit op de buitenste staartpennen. Het koppatroon beslist: een roestrode kruinstreep tussen twee zwarte banden, een roestbruine wang die achter en onder zwart is omlijst, een smalle romige oogring en een bleek vlekje vlak voor het oog. De onderdelen zijn wit met scherpe zwarte strepen op borst en flanken, de poten vleeskleurig en de bovensnavel opvallend recht in plaats van bol, zodat de snavel puntig oogt. Mannetje en vrouwtje zijn nagenoeg gelijk, en ook eerstejaars vogels dragen het roestbruine gezicht al.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en winterkleden van de rietgors (Emberiza schoeniclus) zijn groter, met een bruinere wang zonder volledige zwarte omlijsting, een bollere snavel, roestbruine kleine dekveren en een klaaglijk tsiuu als roep. De bosgors (Emberiza rustica) heeft een roestbruine borstband, roestbruine flankstrepen en een puntige kruin. De maskergors (Emberiza spodocephala) mist de roestbruine wang en heeft een olijfgrijze kop.
Leefgebied
Op de trek en in de winter in akkers en akkerranden met onkruid, irrigatiegebieden, oases, dadelpalmtuinen, parken, golfbanen en ruige struiken bij water. Foerageert op de grond, vaak onopvallend onder struiken of tussen gewassen, soms samen met piepers en mussen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Een zeldzame tot schaarse doortrekker en wintergast in het oosten van het gebied: jaarlijks in kleine aantallen in de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, zeldzaam in Koeweit (vooral de oase Al-Abraq), Bahrein, Qatar en Oost-Saoedi-Arabië. In Israël een zeer zeldzame doortrekker, minder dan eens per jaar, vooral half oktober tot half december in de dadelpalmplantages van de Arava; tot eind jaren 1980 regelmatig in november bij Eilot. Elders in het gebied, ook in Noord-Afrika, een uitzonderlijke dwaalgast. Broedt in de taiga en de toendrarand van Noord-Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert vooral van Noordoost-India tot Zuid-China en Zuidoost-Azië.
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in november en december in de akkers en parken van de Emiraten en Oman, en in Koeweit in de oase Al-Abraq. Let tussen de piepers op een harde tik en op een kleine gors met een roestbruin gezicht die bij verstoring de struik in schiet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een groot broedgebied. In het gidsgebied gaat het om weinig vogels aan de westrand van het overwinteringsgebied; de meeste waarnemingen zijn sinds de jaren 1990 gedaan, deels door het grotere aantal vogelaars in de Golfstaten.
Wetenschappelijke naam
Emberiza pusilla | Pallas, 1776
Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. pusilla is Latijn voor 'heel klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Daurisch gebergte in Siberië.


