Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Steppegors
Steppegors | Emberiza buchanani
Grey-Necked Bunting | Escribano cabecigrís
De steppegors is een ortolaanachtige gors van droge, rotsige berghellingen in Iran en Centraal-Azië, die overwintert op het Indiase subcontinent. Het gidsgebied ligt ten westen van zijn trekroute; er zijn slechts enkele gevallen, vooral in het oosten van Arabië, en elke vondst vraagt een zorgvuldige vergelijking met de veel talrijker ortolaan.
Geluid
De roep is een kort, zacht tsjep of tsip, wat zachter dan die van de ortolaan, en een dun tsie. De zang, een korte strofe van een paar gelijke tonen met een lager slot, lijkt op die van de ortolaan, maar is in het gidsgebied vrijwel nooit te horen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm. Slanke gors met een lange staart met wit aan de buitenzijde en een roze snavel. De kop en nek zijn egaal blauwgrijs met een opvallende witte oogring en een bleke, crèmekleurige keel en snorstreep, zonder de gele of oranjebruine tint van de ortolanen. De bovendelen zijn grijsbruin met een roestkleurige zweem op de schouders, de onderdelen roze-kaneelbruin, naar de buik toe bleker. Het vrouwtje is doffer, met een fijn gestreepte kruin en wat streepjes op de borst; jonge vogels zijn bruiner en gestreept, maar houden de witte oogring en de bleke, vrijwel ongestreepte buik.
Verwarringssoorten
De ortolaan (Emberiza hortulana) is de grote valkuil: die heeft een grijsgroene kop, een gele keel en snorstreep, een gele oogring en een duidelijk gestreepte rug. De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) heeft een oranjebruine keel en een donkerder roestrode buik. De steppegors oogt bleker en grijzer, met een ongestreepte, zandgrijze rug met roestkleurige schouders en een witachtige keel. Jonge vogels van alle drie zijn lastig; let op de rugtekening, de kleur van de oogring en de roep.
Leefgebied
Op doortrek en in de winter op droge, stenige hellingen met weinig begroeiing, in wadi's en op kale vlakten aan de voet van bergen, ook aan akkerranden. In het broedgebied op kale, rotsige berghellingen tot boven 2.000 m.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Een dwaalgast in het gidsgebied. In Koeweit zijn er drie gevallen, telkens een losse vogel op doortrek, de laatste in september 2011. In Oman en de Verenigde Arabische Emiraten zijn er een klein aantal gevallen in winter en op doortrek, vooral in het stenige voorland van het Hadjargebergte; ook uit Israël zijn een of enkele gevallen bekend. Elders, in Irak, Saoedi-Arabië en de rest van de Golf, is de soort voor zover bekend nog nauwelijks vastgesteld, al wordt hij tussen ortolanen licht over het hoofd gezien. Daarbuiten broedt hij van Oost-Turkije en Armenië over Iran en Afghanistan tot de Altaj en Mongolië, en overwintert hij in West- en Midden-India.
Hoe en wanneer kijken
Controleer elke bleke ortolaan in de herfst en winter in Oman en de Emiraten: een witte oogring, een witachtige keel en een ongestreepte grijze rug met roestkleurige schouders zijn het signaal. Maak foto's van rug en kop en neem de roep op; een melding zonder documentatie wordt zelden aanvaard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast zonder vaste trekroute, met hooguit een handvol gevallen per land.
Wetenschappelijke naam
Emberiza buchanani | Blyth, 1845
Blyth beschreef de soort in 1845 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. buchanani eert Francis Buchanan-Hamilton (1762-1829), Schots arts en natuuronderzoeker in India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Indiase schiereiland.

