Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Braamsluiper
Braamsluiper | Curruca curruca
Lesser Whitethroat | Curruca zarcerilla
De braamsluiper is een kleine, grijze grasmus met een donker oormasker en een van de talrijkste doortrekkers van het Midden-Oosten. In Arabië overwinteren veel vogels, en in de bergen van de Levant broedt hij. Door de reeks bleke vormen uit Centraal-Azië is hij in de winter een lastige soort, ook voor de gevorderde vogelaar.
Geluid
De zang bestaat uit een zacht, mompelend gekwetter, gevolgd door een droge ratel op één toonhoogte, tel-tel-tel-tel-tel; doortrekkers zingen in het voorjaar geregeld. De roep is een hard tsjek, bij onraad ook een zacht, raspend tsjrrr.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12,5–13,5 cm. Compact en vrij kortstaartig, met grijsbruine bovendelen zonder roestbruin vleugelpaneel, een grijze kruin, een donker grijszwart oormasker dat afsteekt tegen een helderwitte keel, en witte onderdelen met een crèmekleurig waas op de flanken. Buitenste staartpennen wit; poten donker leigrijs. Geslachten gelijk. De oostelijke vormen die in Arabië overwinteren, zoals halimodendri, zijn bleker en zandkleuriger grijs, met een minder scherp masker en meer wit in de staart; de nog blekere woestijnbraamsluiper (minula) is kleiner en heeft een fijn snaveltje.
Verwarringssoorten
De grasmus (Curruca communis) is groter en langstaartiger, met een roestbruin vleugelpaneel en lichte poten. De woestijngrasmus (Curruca nana) is zandkleurig met een gele iris en een roestbruine staart. Hume's braamsluiper (Curruca althaea), een zeldzame doortrekker en wintergast in het oosten van Arabië, is donkerder grijs, met een donkere kap die nauwelijks afsteekt tegen het masker, en een zwaardere snavel. Het vrouwtje van Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) heeft een lichte oogring, lichte poten en geen donker masker.
Leefgebied
Broedt in dicht struweel op berghellingen, in de Levant vooral boven ongeveer 1000 m: struikeiken, jeneverbes, wilde amandel en doornstruweel. Op de trek en in de winter in elk struweel met enige dekking: acacia's en tamarisk in wadi's, doornstruweel van de Arabische vlakten, oases, tuinen en parken, en zelfs aanplant langs wegen in de Golfstaten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Libanon (Libanongebergte en Anti-Libanon), op de Hermon, in het westen van Syrië en in de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. Doortrekker door het hele gebied, talrijk in het oosten: Egypte (vooral de Sinaï en de Nijlvallei), Israël, Jordanië, Syrië, Irak, Saoedi-Arabië en de Golfstaten; in Libië en de Maghreb schaarser en vooral in het voorjaar. Overwintert in Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Emiraten, Qatar en Bahrein, en in kleine aantallen in Zuidoost-Egypte; in de Emiraten is de bleke Centraal-Aziatische vorm halimodendri de gewoonste wintergast. Daarbuiten broedt hij van Engeland en Frankrijk door Europa en Siberië tot Mongolië, en overwintert hij in Noordoost-Afrika (Soedan, Tsjaad, Ethiopië) en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In maart en april in Eilat of in de Sinaï, waar soms tientallen tegelijk in de struiken zitten; in de winter in de parken en golfbanen van Dubai en Abu Dhabi of de tuinen van Muscat. Luister in het voorjaar naar de ratelende zang en let bij wintervogels op de kleur van de bovendelen en de scherpte van het masker.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De taxonomie van het complex is in beweging: Hume's braamsluiper (Curruca althaea) wordt door sommige lijsten, en in deze gids, als aparte soort behandeld, en de status van de Centraal-Aziatische vormen (halimodendri, minula) is nog onderwerp van genetisch onderzoek. Of de woestijnbraamsluiper (minula) werkelijk in Arabië overwintert, is onzeker.
Wetenschappelijke naam
Curruca curruca | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Sylvia curruca)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Curruca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


