Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Bruinkeelortolaan
Bruinkeelortolaan | Emberiza caesia
Cretzschmar's Bunting | Escribano ceniciento
De bruinkeelortolaan is de ortolaan van de oostelijke Middellandse Zee: een kleine, slanke gors met een zuiver blauwgrijze kop en een warm oranjebruine keel. Hij broedt op droge, rotsige hellingen in Israël, Samaria en Judea, Libanon, West-Syrië en Noordwest-Jordanië, trekt langs de Rode Zee naar het zuiden en is in maart het eerste teken van de lente op de hellingen van de Levant.
Geluid
De zang is kort en zakelijk: drie of vier gelijke, licht schrapende tonen gevolgd door één lagere, uitgerekte toon, tsju tsju tsju tsjrüü, in een paar seconden afgelopen en met korte tussenpozen herhaald. Hij zingt van eind maart tot in juni vanaf een rotsblok, een lage struik of een muurtje. De roep is een hard, kort tsjep en een dun tsie.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16,5 cm. Kleine, slanke gors met een lange staart met witte buitenzijde en een roze snavel. Het mannetje heeft een egaal blauwgrijze kop en borstband, een warm oranjebruine keel en snorstreep, een smalle witachtige oogring en roestoranje onderdelen; de rug is roodbruin met donkere strepen. Het vrouwtje is doffer en fijn gestreept op kruin en borst, maar houdt de grijzige kop en de oranjebruine keel. Jonge vogels zijn bruin en gestreept, met een roestkleurige waas op stuit en onderstaart.
Verwarringssoorten
De ortolaan (Emberiza hortulana) is de enige echte verwarringssoort en staat op doortrek vaak naast hem. Bij de ortolaan zijn keel en snorstreep bleekgeel, is de kop grijsgroen en de oogring geel; bij de bruinkeelortolaan zijn keel en snorstreep oranjebruin, is de kop zuiver blauwgrijs en de oogring witachtig, en zijn de onderdelen dieper roestrood. Bij vrouwtjes en jonge vogels is het verschil zwakker maar gelijk. De steppegors (Emberiza buchanani) heeft een witachtige keel en een ongestreepte grijze rug; de smyrnagors (Emberiza cineracea) is groter, grijs en wit onder. De gestreepte gors (Emberiza striolata) op dezelfde rotshellingen is kleiner, heeft een gestreepte kop en keel en mist wit in de staart.
Leefgebied
Droge, zonnige, rotsige hellingen met lage struiken, garrigue en verspreide bomen, terrassen en stenige akkers met muurtjes, van zeeniveau tot ongeveer 1.500 m. Op doortrek en in de winter op stenige vlakten, in wadi's en op droge hellingen met struiken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Israël, van Galilea en de Golan tot het noorden van de Negev, in Samaria en Judea, in Libanon, in het westen van Syrië en in het noordwesten van Jordanië. Op doortrek, vooral in maart en in augustus – september, langs de Rode Zee: in de Sinaï, Oost-Egypte en West-Saoedi-Arabië, schaars ook in Zuid-Jordanië. Overwintert in het westen en zuidwesten van Saoedi-Arabië en in Jemen, en daarbuiten in Soedan en Eritrea. Verder naar het oosten, in Irak en de Golf, zeldzaam. Daarbuiten broedt hij in Griekenland, op de Egeïsche eilanden, op Cyprus en in Turkije.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in april naar de rotsige hellingen van de Golan, de Karmel of de heuvels rond Jeruzalem en luister naar de korte, schrapende strofe met lager slot; een mannetje zit vaak lang op hetzelfde rotsblok. Eind maart is ook de trek door Eilat goed, waar hij dan vaak naast ortolanen te zien is.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In de Levant op geschikte rotsige hellingen vrij algemeen, maar gevoelig voor verbossing, bebouwing en het verdwijnen van terrassenlandbouw.
Wetenschappelijke naam
Emberiza caesia | Cretzschmar, 1827
Cretzschmar beschreef de soort in 1827 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. caesia komt van het Latijnse caesius 'blauwgrijs', naar de grijze kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het eiland Kurgos in Soedan.


