Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Grauwe gors
Grauwe gors | Emberiza calandra
Corn Bunting | Triguero
De grauwe gors is de grote, onopvallend grijsbruine gors van het graanland, die vanaf elke draad en distel zijn rinkelende sleutelbos-zang laat horen. In de Maghreb en de Levant is hij een van de gewoonste vogels van het akkerland; in de winter zakken noordelijke vogels af tot in Egypte, Noord-Arabië en de Golfstaten.
Geluid
De zang begint met een paar aarzelende tikken die versnellen tot een droog, glasachtig gerammel, als een rinkelende sleutelbos: tik… tik-tik-tsississississ. Hij zingt van februari tot in juli, ook op het heetst van de dag, van een draad, paal, distel of steen. De roep is een kort, hard kwit of tsjip, in de vlucht vaak in een reeksje herhaald.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–19 cm. Fors en zwaar, met een dikke bleke kegelsnavel en een grote, vrijwel ongetekende kop. Egaal grijsbruin tot zandbruin met donkere strepen op rug, borst en flanken, die midden op de borst vaak tot een vage vlek samenlopen; de buik is vuilwit. Geen wit in de staart. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk, het mannetje is groter. Vliegt zwaar en laag, vaak met bungelende poten, vooral bij een korte baltsvlucht.
Verwarringssoorten
Het ontbreken van wit in de staart scheidt hem van de meeste gorzen; alleen zwartkopgors (Emberiza melanocephala) en bruinkopgors (Emberiza bruniceps) delen dat, maar die zijn slanker, ongestreept onder en hebben geel op de onderstaart. De kalanderleeuwerik (Melanocorypha calandra) is net zo fors en zandkleurig, maar heeft een zwarte halsvlek en een witte achterrand aan de vleugel. De veldleeuwerik (Alauda arvensis) en de kuifleeuwerik (Galerida cristata) hebben een dunne snavel en een kuifje of kuif. Een vrouwtje huismus (Passer domesticus) of Spaanse mus (Passer hispaniolensis) is kleiner, korter gestaart en zit niet uren op een draad te zingen.
Leefgebied
Open akkerland met graan en braak, weiden, luzerne en irrigatielandbouw, ruige bermen en droge kruidensteppe en hoogvlakten met alfagras, tot ongeveer 2.000 m in de Atlas. In de winter in troepen op stoppelvelden en in irrigatieland in de woestijnrand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Jaarrond in Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en Noord-Libië (Tripolitanië en Cyrenaica), in Israël, Samaria en Judea, Libanon, Syrië, Noord- en West-Jordanië en Irak. In de winter komen daar noordelijke vogels bij en verschijnt hij als wintergast in Egypte (vooral de Nijldelta en de noordkust), in Noord-Saoedi-Arabië, Koeweit en Bahrein; in Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman is hij zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van West-Europa en de Canarische Eilanden tot Centraal-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In voorjaar en zomer hoef je hem niet te zoeken: rijd langs graanvelden in Marokko of de Levant en luister naar het sleutelbosgerammel vanaf de draden. In de winter vind je hem in troepen op stoppelvelden, vaak samen met leeuweriken en mussen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In het gidsgebied plaatselijk talrijk, maar net als in Europa gevoelig voor intensivering van de landbouw en het verdwijnen van braak en akkerranden.
Wetenschappelijke naam
Emberiza calandra | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza voerde hij in datzelfde werk in. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. calandra is Grieks, van kalandros, de kalanderleeuwerik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


