Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Drieteenmeeuw

Drieteenmeeuw | Rissa tridactyla

Black-Legged Kittiwake | Gaviota tridáctila

Een echte zeemeeuw van de Noord-Atlantische Oceaan, die buiten de broedtijd op open zee leeft en het land nauwelijks opzoekt. Het gidsgebied ligt aan de zuidrand van zijn overwinteringsgebied: voor de Marokkaanse Atlantische kust is hij elke winter op zee aanwezig, verder oostwaarts wordt hij snel zeldzaam.

Drieteenmeeuw (Rissa tridactyla)
Foto: DickDaniels (http://carolinabirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd meestal stil. In de kolonie het naamgevende, nasale kittie-week.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1182539

Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot, met een ronde kop, een donker oog, een ongetekende geelgroene snavel en korte zwarte poten. De mantel is middengrijs en de vleugelpunt is zuiver zwart, als in inkt gedoopt, zonder witte spiegels. In vlucht smalle, spitse vleugels en een stijve, snelle slag; de binnenste handpennen zijn lichter dan de mantel. In winterkleed een donkergrijze vlek achter het oog en een grijze achterhals. Eerstejaars vogels hebben een zwarte W over de bovenvleugel, een zwarte nekband, een zwarte snavel en een smalle zwarte staartband.

Verwarrings­soorten

De stormmeeuw (Larus canus) heeft langere geelgroene poten en witte spiegels in de zwarte vleugelpunt. De dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) is veel kleiner, met ronde vleugeltoppen en bij volwassen vogels een donkere ondervleugel; jonge dwergmeeuwen hebben ook een W-patroon maar geen zwarte nekband. De vorkstaartmeeuw (Xema sabini) toont drie scherp begrensde vlakken op de vleugel en een gevorkte staart. De kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) heeft een witte handwig en een rode snavel en poten.

Leefgebied

In de winter vrijwel uitsluitend op open zee, vaak ver uit de kust boven het continentaal plat en rond vissersboten. Na zware westerstormen komen vogels soms in havens, bij riviermondingen of zelfs op binnenwater terecht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een geregelde wintergast op zee voor de Atlantische kust van Marokko, van Tanger tot Agadir en in kleinere aantallen tot de Westelijke Sahara; vanaf de kust meestal alleen na stormen te zien, met in sommige winters invasies van honderden vogels. In de Straat van Gibraltar en langs de Middellandse Zeekust van Marokko, Algerije en Tunesië schaars, in Libië en Egypte zeldzaam. In Israël en Libanon een zeldzame wintergast, met in enkele winters een kleine influx langs de kust. In Arabië een dwaalgast met een handvol gevallen, onder meer in Koeweit, de Emiraten en Oman. Daarbuiten broedt hij rond de noordelijke Atlantische en Stille Oceaan, van Bretagne en IJsland tot Spitsbergen, Alaska en Newfoundland, en overwintert op open zee zuidelijk tot West-Afrika en Japan.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is zeetrek vanaf een kaap aan de Marokkaanse Atlantische kust, zoals bij Cap Rhir of Essaouira, of in de havens van Tanger en Essaouira na een winterse westerstorm. Kijk naar de stijve vleugelslag en de inktzwarte vleugelpunt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Kwetsbaar, door een sterke afname van de broedpopulaties in het noordoosten van de Atlantische Oceaan, waar voedseltekort door stijgende zeewatertemperaturen en veranderende visstanden het broedsucces drukt. In het gidsgebied spelen vooral bijvangst en vervuiling op zee een rol.

Wetenschappelijke naam

Rissa tridactyla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus tridactylus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rissa werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Rissa gaat terug op het IJslandse rita, de plaatselijke naam voor de drieteenmeeuw. tridactyla is Grieks voor 'drieteenig', van tri- 'drie' en daktylos 'teen': de achterteen is bij deze meeuw tot een stompje teruggebracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groot-Brittannië.