Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Dwergaalscholver
Dwergaalscholver | Microcarbo pygmaeus
Pygmy Cormorant | Cormorán pigmeo
De kleinste aalscholver van het gebied, een schuwe moerasvogel van rietlanden en visvijvers. In het gidsgebied broedt hij in de moerassen van Zuid-Irak en is hij elders vooral een wintergast in de Levant, met de grootste aantallen in de Jordaan- en Hulavallei van Israël.
Geluid
Buiten de broedkolonie vrijwel stil. Op het nest een laag, krassend krrah en kakelende reeksen als ka-ka-ka-ka; op slaapplaatsen soms zacht gekwaak.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en compact, met een lange staart die vaak schuin omhoog wordt gedragen, een kleine ronde kop met steil voorhoofd en een korte, dunne snavel zonder de zware kaak van de aalscholver. In broedkleed zwart met groene glans, met een donker roodbruine kop en fijne witte haarveertjes over kop en hals; de rug- en vleugelveren zijn grijzig met donkere randen. Buiten de broedtijd is de kop dof bruin met een lichte keel, en jonge vogels zijn bruin met een lichtere borst en buik. Het oog is donker. In vlucht valt hij op door zijn geringe formaat, snelle vleugelslag en rechte hals: kort van voren, lang van achteren.
Verwarringssoorten
De aalscholver (Phalacrocorax carbo) is bijna twee keer zo zwaar, met een zware snavel, een korte staart en een witte kinvlek; zittend en vliegend is het verschil in silhouet direct duidelijk. De Afrikaanse dwergaalscholver (Microcarbo africanus) lijkt sterk, maar komt in het gebied alleen op het Nassermeer in Zuid-Egypte voor; hij heeft een rood oog, een kort kuifje op het voorhoofd en een duidelijker geschubde, zilvergrijze bovenkant. Op afstand kan een zwemmende vogel aan een duikeend doen denken, tot de lange staart zichtbaar wordt.
Leefgebied
Zoet en licht brak water met veel dekking: rietmoerassen, ondergelopen wilgen- en tamariskbosjes, rivierlopen, stuwmeren en vooral visvijvers. Broedt in gemengde kolonies met reigers en ibissen in struiken en bomen boven het water. Vist alleen of in kleine groepjes in ondiep water en slaapt 's winters in gezamenlijke slaapplaatsen in bomen, soms met honderden bij elkaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in de moerassen van Zuid-Irak, langs Eufraat en Tigris en in de Hawizeh-, Centrale en Hammarmoerassen, waar hij na het herstel van de moerassen weer verbreid voorkomt; ook in Syrië, langs de Eufraat, plaatselijk aanwezig. In Israël vooral wintergast, met honderden vogels in de visvijvergebieden van de Bet She'anvallei en de Hulavallei en rond het Meer van Galilea; hij broedde vroeger in het Hulamoeras. In Libanon, Jordanië en Syrië verder schaarse wintergast. Uiterst zeldzame dwaalgast in Koeweit (twee waarnemingen), de Golfstaten en Egypte. In Noord-Afrika broedde hij in de 19e eeuw in Noordoost-Algerije, maar daar is hij verdwenen; van Algerije, Tunesië en Marokko zijn tegenwoordig slechts losse waarnemingen bekend. Daarbuiten broedt hij in Zuidoost-Europa, Turkije, rond de Zwarte en Kaspische Zee en in Iran tot het Aralgebied.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter zijn de visvijvers bij Kfar Ruppin en Neve Ur in de Bet She'anvallei de beste plek: tegen de avond komen groepen binnen op de slaapplaatsen in de eucalyptussen. Ook in het natuurreservaat van de Hula en bij Agamon Hahula zie je ze vaak op takken langs het water.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, na een sterk herstel in Europa sinds de jaren negentig. In het gidsgebied verdween hij als broedvogel uit Algerije en Israël door het droogleggen van moerassen, en kelderde de Iraakse populatie toen de Mesopotamische moerassen in de jaren negentig werden drooggelegd; sinds het gedeeltelijke herstel daarvan is hij teruggekeerd. Bejaging, het vangen in netten, verstoring en vervolging bij visvijvers blijven bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Microcarbo pygmaeus | (Pallas, 1773)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Pelecanus pygmeus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Microcarbo werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Microcarbo verbindt het Griekse mikros 'klein' met de geslachtsnaam Carbo, en betekent dus 'kleine aalscholver'. pygmaeus is Latijn, van het Griekse pugmaios 'dwergachtig', naar het geringe formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische Zee.


