Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Afrikaanse dwergaalscholver
Afrikaanse dwergaalscholver | Microcarbo africanus
Reed Cormorant | Cormorán africano
Een kleine, langstaartige aalscholver van Afrikaanse meren en rivieren, die in het gidsgebied alleen in het uiterste zuiden van Egypte voorkomt. Na meer dan een eeuw afwezigheid werd hij in 2024 teruggevonden op het Nassermeer, waar hij in 2025 weer bleek te broeden.
Geluid
Buiten de kolonie vrijwel stil. Op de broedplaats sissende en kakelende geluiden, zoals een snel ka-ka-ka, en zacht gekreun.
Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en slank, met een opvallend lange staart, een kleine ronde kop en een korte, dunne snavel. Volwassen vogels in broedkleed zijn glanzend zwart met zilvergrijze, zwart gerande dekveren op rug en vleugel, wat een fijn geschubd patroon geeft; het oog is rood, de kale huid in het gezicht geel tot oranje en op het voorhoofd staat een kort, rechtopstaand kuifje. Buiten de broedtijd en bij onvolwassen vogels is de bovenkant bruin en de onderkant vuilwit tot lichtbruin. Vliegt laag met snelle slagen en rechte hals, de lange staart duidelijk zichtbaar.
Verwarringssoorten
De dwergaalscholver (Microcarbo pygmaeus) is in vorm en formaat bijna gelijk, maar komt in Egypte vrijwel niet voor; hij heeft in broedkleed een roodbruine kop met witte haarveertjes, een donker oog en een minder geschubde bovenkant. De aalscholver (Phalacrocorax carbo) is veel groter, met een zware snavel, een korte staart en een witte kinvlek; ook jonge aalscholvers met lichte onderkant zijn aan formaat en snavel te herkennen. De slangenhalsvogel (Anhinga rufa), zuidelijker in Soedan, heeft een veel langere, dunne hals en een dolkvormige snavel.
Leefgebied
Rustig zoet water met begroeide oevers: de ondergelopen kreken en baaien van het Nassermeer, met verdronken bomen en struiken als zit- en broedplaats. Elders in zijn verspreidingsgebied ook rivieren, moerassen, dammen en visvijvers. Vist alleen of in kleine groepjes, vaak dicht onder de oever; zit graag met gespreide vleugels op takken boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in Egypte. De soort broedde vroeger in het land, maar na een waarneming in 1903 was hij meer dan een eeuw verdwenen. In maart 2024 werd op het Nassermeer bij de grens met Soedan een groep van minstens twintig vogels gefotografeerd, en in augustus 2025 werden er twee jonge vogels gezien: het eerste broedgeval in Egypte in meer dan honderd jaar. Uit de rest van Noord-Afrika en het Midden-Oosten zijn geen zekere waarnemingen bekend. Daarbuiten is hij een algemene standvogel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en de kust van Mauritanië tot Soedan, Ethiopië en Zuid-Afrika, en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het Nassermeer is uitgestrekt en de vogels zitten verspreid in rustige baaien; de beste kans is vanaf een boot vanuit Aswan of Abu Simbel, waar ook andere Afrikaanse soorten opduiken. Let op kleine, langstaartige aalscholvers op dode bomen langs de oever.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika wijdverbreid en algemeen. De status in het gidsgebied is nieuw en wankel: de populatie op het Nassermeer is klein en waarschijnlijk via de Nijl vanuit Soedan gekomen. Verstoring door visserij, het vangen van vogels in netten en schommelingen in het waterpeil van het meer kunnen deze vestiging gemakkelijk ongedaan maken.
Wetenschappelijke naam
Microcarbo africanus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Pelecanus africanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Microcarbo werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Microcarbo verbindt het Griekse mikros 'klein' met de geslachtsnaam Carbo, en betekent dus 'kleine aalscholver'. africanus is Latijn voor 'Afrikaans' — naar het verspreidingsgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald).


