Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Ethiopische nachtzwaluw

Ethiopische nachtzwaluw | Caprimulgus poliocephalus

Montane Nightjar | Chotacabras abisinio

Een kleine, donkere bergnachtzwaluw van de Oost-Afrikaanse hooglanden, die in het gebied standvogel is in de jeneverbesbossen en terrassen van het Asirgebergte en de Jemenitische hooglanden. Zijn hoge, klagende fluittoon is een vertrouwd nachtgeluid boven de bergdorpen.

Ethiopische nachtzwaluw (Caprimulgus poliocephalus)
Foto: This image was produced by me, David Castor (user:dcastor). The pictures I submit to the Wikipedia Project are released to the public domain. This gives you the right to use them in any way you like, without any kind of notification. This said, I would still appreciate to be mentioned as the originator whenever you think it complies well with your use of the picture. A message to me about how it has been used would also be welcome. You are obviously not required to respond to these wishes of mine, just in a friendly manner encouraged to. (All my photos are placed in Category:Images by David Castor or a subcategory thereof.) — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, doordringende en wat klagende fluittoon, pieeuw-wierr, vaak met korte tussenpozen herhaald, vooral in de schemering en bij maanlicht, vanaf een tak, rots of dak. Het meest te horen van maart tot mei.

Luister: ZangXC942594

Opname: David Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Vrij klein en donker, met een grijsbruine, sterk gespikkelde en gevlekte bovenzijde, een onduidelijke roestbruine nekband en een donkere borst met fijne lichte vlekjes; aan weerszijden van de keel een witte vlek. Het mannetje heeft witte vlekken op de vier buitenste handpennen en veel wit in de staart: de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. Bij het vrouwtje zijn de vleugelvlekken bleker en is het wit in de staart beperkter en vuiler.

Verwarrings­soorten

De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die als doortrekker ook door de bergen komt, is groter en langer van staart, met een donkere schouderstreep en bij het mannetje alleen witte staarthoeken. De Effen nachtzwaluw (Caprimulgus inornatus) van de lagere hellingen is egaler en bleker bruin, zonder sterke vlekken, en heeft minder wit in de staart. De Nubische nachtzwaluw (Caprimulgus nubicus) leeft in het hete laagland van de Tihama.

Leefgebied

Bergbos van jeneverbes en acacia, steile hellingen met struiken en rotsen, terrasakkers en boomgaarden rond bergdorpen, tussen ongeveer 1.200 en 3.000 m. Jaagt boven open plekken, akkers en wegen en rust overdag op de grond in de strooisellaag onder bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië op de westelijke hellingen en hoogvlakten van het Asirgebergte, van de grens met Jemen via Abha en Al Baha noordelijk tot Al Shafa bij Taif, sinds de ontdekking in 1982 bekend en plaatselijk algemeen; in Jemen verspreid in de westelijke en centrale hooglanden. Daarbuiten komt hij voor in de hooglanden van Ethiopië, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Raydah-escarpment bij Abha en de jeneverbesbossen rond Tanoumah zijn de bekende plekken; de vogels zijn er het hele jaar, maar in het voorjaar het meest actief. Ga bij zonsondergang naar een uitzichtpunt aan de bosrand en luister naar de hoge fluittonen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië is hij beperkt tot de hooglanden, waar het jeneverbesbos achteruitgaat door sterfte van bomen, begrazing, kap en uitbreiding van bebouwing en wegen; over de Jemenitische populatie is weinig recent bekend.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus poliocephalus | Rüppell, 1840

Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. poliocephalus komt van het Griekse polios, 'grijs', en kephalē, 'kop': 'grijskop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kulla, Ethiopië.