Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Ethiopische nachtzwaluw
Ethiopische nachtzwaluw | Caprimulgus poliocephalus
Montane Nightjar | Chotacabras abisinio
Een kleine, donkere bergnachtzwaluw van de Oost-Afrikaanse hooglanden, die in het gebied standvogel is in de jeneverbesbossen en terrassen van het Asirgebergte en de Jemenitische hooglanden. Zijn hoge, klagende fluittoon is een vertrouwd nachtgeluid boven de bergdorpen.
Geluid
Een hoge, doordringende en wat klagende fluittoon, pieeuw-wierr, vaak met korte tussenpozen herhaald, vooral in de schemering en bij maanlicht, vanaf een tak, rots of dak. Het meest te horen van maart tot mei.
Opname: David Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Vrij klein en donker, met een grijsbruine, sterk gespikkelde en gevlekte bovenzijde, een onduidelijke roestbruine nekband en een donkere borst met fijne lichte vlekjes; aan weerszijden van de keel een witte vlek. Het mannetje heeft witte vlekken op de vier buitenste handpennen en veel wit in de staart: de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. Bij het vrouwtje zijn de vleugelvlekken bleker en is het wit in de staart beperkter en vuiler.
Verwarringssoorten
De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die als doortrekker ook door de bergen komt, is groter en langer van staart, met een donkere schouderstreep en bij het mannetje alleen witte staarthoeken. De Effen nachtzwaluw (Caprimulgus inornatus) van de lagere hellingen is egaler en bleker bruin, zonder sterke vlekken, en heeft minder wit in de staart. De Nubische nachtzwaluw (Caprimulgus nubicus) leeft in het hete laagland van de Tihama.
Leefgebied
Bergbos van jeneverbes en acacia, steile hellingen met struiken en rotsen, terrasakkers en boomgaarden rond bergdorpen, tussen ongeveer 1.200 en 3.000 m. Jaagt boven open plekken, akkers en wegen en rust overdag op de grond in de strooisellaag onder bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen in Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië op de westelijke hellingen en hoogvlakten van het Asirgebergte, van de grens met Jemen via Abha en Al Baha noordelijk tot Al Shafa bij Taif, sinds de ontdekking in 1982 bekend en plaatselijk algemeen; in Jemen verspreid in de westelijke en centrale hooglanden. Daarbuiten komt hij voor in de hooglanden van Ethiopië, Kenia en Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Raydah-escarpment bij Abha en de jeneverbesbossen rond Tanoumah zijn de bekende plekken; de vogels zijn er het hele jaar, maar in het voorjaar het meest actief. Ga bij zonsondergang naar een uitzichtpunt aan de bosrand en luister naar de hoge fluittonen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië is hij beperkt tot de hooglanden, waar het jeneverbesbos achteruitgaat door sterfte van bomen, begrazing, kap en uitbreiding van bebouwing en wegen; over de Jemenitische populatie is weinig recent bekend.
Wetenschappelijke naam
Caprimulgus poliocephalus | Rüppell, 1840
Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. poliocephalus komt van het Griekse polios, 'grijs', en kephalē, 'kop': 'grijskop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kulla, Ethiopië.


