Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Franklins meeuw
Franklins meeuw | Leucophaeus pipixcan
Franklin's Gull | Gaviota de Franklin
Een kleine, donkermantelige meeuw van de Noord-Amerikaanse prairies, die normaal langs de Pacifische kust van Zuid-Amerika overwintert. Een handvol vogels heeft de oversteek naar de Oude Wereld gemaakt en duikt dan meestal op tussen kokmeeuwen, van de Atlantische kust van Marokko tot Eilat en de Golf.
Geluid
Een zacht, nasaal kuk of wiek, hoger en minder schor dan de kokmeeuw; dwaalgasten zijn meestal stil.
Opname: Dante Buzzetti — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kleiner en compacter dan de kokmeeuw, met een ronde kop, een vrij korte snavel en kortere poten. De mantel is donker leigrijs, duidelijk donkerder dan bij kokmeeuw en zwartkopmeeuw. Volwassen vogels hebben een brede witte achterrand aan de vleugel en een witte band tussen het grijs en de zwarte vleugeltoppen, die zelf kleine witte vlekjes dragen. Brede witte oogleden boven en onder het oog vallen in elk kleed op. In broedkleed een volledig zwarte kap en een rode snavel, de borst soms roze aangeslagen; in winterkleed een donkere 'halve kap' over achterhoofd en oorstreek, met wit voorhoofd en keel. Eerstejaars hebben een grijze mantel, een donkere halve kap, een smalle zwarte staartband met grijze buitenste pennen en een witte borst.
Verwarringssoorten
De lachmeeuw (Leucophaeus atricilla, niet in deze gids) is groter, met een langere, hangende snavel en zonder de witte band voor de vleugeltop; eerstejaars hebben grijze borstzijden. De kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) is veel bleker van mantel, heeft een witte voorrand aan de vleugel en in winterkleed alleen een oorvlek. De zwartkopmeeuw (Ichthyaetus melanocephalus) heeft in winterkleed een vergelijkbaar donker masker, maar een bleke mantel en witte vleugelpunten.
Leefgebied
In het gebied vooral op stranden, havens, lagunes en riviermondingen, tussen groepen kokmeeuwen en andere kleine meeuwen; één vogel verbleef op een tijdelijk woestijnmeer. In het broedgebied prairiemoerassen, in de winter de Pacifische kust en akkers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko ruim tien gevallen, de meeste aan de Atlantische kust in de Souss, één aan de Middellandse Zeekust en één ver landinwaarts op het tijdelijke meer Dayet Srij bij Merzouga (april 2019). In Israël twee vogels bij Eilat (juni 2003 en juli 2006); in Egypte één op de Nijl bij Luxor in maart, de eerste voor het land; in Koeweit één in de zuidelijke Baai van Koeweit (juni 2012); in de Emiraten één bij Fujairah (september 2018). Uit Algerije, Tunesië, Libië en Saoedi-Arabië zijn ons geen gevallen bekend. Daarbuiten broedt hij in de prairies van Canada en de noordelijke Verenigde Staten en overwintert hij langs de kust van Peru en Chili; dwaalgasten bereiken regelmatig West-Europa en West-Afrika.
Hoe en wanneer kijken
Zoek in Marokko in najaar en winter de kokmeeuwengroepen op de Souss-monding en de stranden bij Agadir door; let op een vogel met een donkerdere mantel en een donkere halve kap. In de Golf en bij Eilat duiken de meeste dwaalgasten in de zomer op, dus ook dan de meeuwengroepen bekijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en talrijk in Noord-Amerika. In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast, uit Marokko ruim tien keer en uit vier andere landen telkens één of twee keer gemeld.
Wetenschappelijke naam
Leucophaeus pipixcan | (Wagler, 1831)
Wagler beschreef de soort in 1831 als Larus Pipixcan; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1855 ingevoerd door Bruch. Leucophaeus is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donkergrijs'. pipixcan is een Nahuatl-naam voor een meeuwensoort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.

