Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kleine burgemeester

Kleine burgemeester | Larus glaucoides

Iceland Gull | Gaviota polar

Een bleke, slanke meeuw van Groenland en Noordoost-Canada, het tengere evenbeeld van de grote burgemeester. In het gidsgebied is hij een zeer zeldzame dwaalgast, tot nu toe vrijwel alleen in Marokko vastgesteld, met zo'n vijftien gevallen.

Kleine burgemeester (Larus glaucoides)
Foto: gailhampshire from Cradley, Malvern, U.K — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger en ijler dan de zilvermeeuw; dwaalgasten zijn vrijwel altijd stil, hooguit een kort kjau bij ruzie om voedsel.

Luister: RoepXC523094

Opname: Frank Roos — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Adulte vogels hebben een lichtgrijze mantel en witte handpennen; bij de Canadese vorm kumlieni hebben de buitenste handpennen grijze tot grijsbruine tekening. De snavel is vrij kort, geel met een rode gonysvlek, het oog geel tot donker en de oogring purperrood; de poten zijn roze. In de winter is de kop zwaar bruinig gestreept. Eerstejaars vogels zijn romig wit tot lichtbeige met fijne, vlekkerige tekening, witte handpennen en een overwegend donkere snavel met een lichtere basis. De bouw is rank: ronde kop, zachte uitdrukking en lange vleugelpunten die ver voorbij de staart steken.

Verwarrings­soorten

De grote burgemeester (Larus hyperboreus) is groter en zwaarder, met een lange, dikke snavel, een platte kop en een korte vleugelprojectie; eerstejaars hebben een roze snavel met scherp afgesneden zwarte punt. Sleetse of leucistische zilvermeeuwen (Larus argentatus) en geelpootmeeuwen (Larus michahellis) kunnen ook bleke vleugelpunten tonen, maar zijn zwaarder gebouwd en hebben donkere schachten in de handpennen. Een vogel met grijze tekening in de vleugelpunt (kumlieni) vraagt om goede foto's van de gespreide vleugel.

Leefgebied

Havens, riviermondingen, lagunes en stranden, waar hij zich aansluit bij groepen grote meeuwen en visafval zoekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko een zeer zeldzame dwaalgast: rond 2018 stond de teller op twaalf gevallen, onder meer bij Essaouira (2008 en eind maart–april 2018), in de Souss-Massa, bij de lagune van Khnifiss en Akhfennir (februari 2018) en Tarfaya. Daarna volgden gevallen aan de Middellandse Zeekust bij Belyounech (2021) en in de Merja Zerga bij Moulay Bousselham (2022); in 2017 zat er een in Ceuta. Uit de rest van het gidsgebied zijn geen zekere gevallen bekend. Daarbuiten broedt de nominaatvorm in Groenland en kumlieni in Noordoost-Canada; ze overwinteren in de Noord-Atlantische Oceaan, van IJsland, Noorwegen en de Britse Eilanden tot Noordoost-Amerika, sporadisch tot Zuid-Europa.

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst in januari–april in de vissershavens en lagunes van de Marokkaanse Atlantische kust, vaak samen met andere noordelijke dwaalmeeuwen. Kijk naar de bouw: een bleke meeuw met een ronde kop en lange vleugelpunten, kleiner dan de omringende geelpootmeeuwen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een zeer zeldzame dwaalgast, sinds het begin van deze eeuw ruim tien keer in Marokko vastgesteld, vrijwel steeds in de winter.

Wetenschappelijke naam

Larus glaucoides | Meyer, 1822

Meyer beschreef de soort in 1822 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. glaucoides betekent 'lijkend op Larus glaucus', een oude naam van de grote burgemeester; het achtervoegsel -oides is Grieks voor 'gelijkend op'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit IJsland.