Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Gekraagde roodstaart

Gekraagde roodstaart | Phoenicurus phoenicurus

Common Redstart | Colirrojo real

De gekraagde roodstaart is in het gidsgebied vooral een doortrekker die in voor- en najaar in groten getale door de Sahara, de Nijlvallei en het Midden-Oosten trekt. Daarnaast broedt hij in de ceder- en eikenbossen van de Maghreb. In het oosten trekt vooral de vorm samamisicus (Ehrenbergs roodstaart) door, met een witte vleugelvlek.

Gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus)
Foto: Francesco Veronesi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, stijgend huiet, vaak gevolgd door een tikkend tuk-tuk. De zang begint met een vaste, melancholieke inzet (sriie-truu-truu) en eindigt in een wisselend, vaak imiterend staartje.

Luister: ZangXC1157781

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14,5 cm. Slanke roodstaart met een oranjerode stuit en staart (donker middenpaar) die voortdurend trilt. Het mannetje heeft in broedkleed een blauwgrijze kruin en rug, een witte voorhoofdsband, een zwart gezicht en zwarte keel en een oranjerode borst die naar de buik toe bleek wordt; in het najaar is het patroon door lichte veerranden gedempt. Mannetjes van samamisicus hebben bovendien een opvallende witte vlek op de gesloten vleugel, gevormd door wit gerande slagpennen. Het vrouwtje is grijsbruin boven, licht oranjebeige onder met een lichte keel en een vage lichte oogring.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) is donkerder en grauwer, ook aan de onderzijde. Het vrouwtje van de diadeemroodstaart (Phoenicurus moussieri) is kleiner, gedrongener en warm oranje over de hele onderzijde. Eversmanns roodstaart (Phoenicurus erythronotus) heeft een rode mantel en een witte band over de vleugeldekveren, het vrouwtje lichte vleugelstrepen. Het vrouwtje van de kleine rotslijster (Monticola rufocinereus) is grijzer met een oranje getinte buik, maar een staart met een donkere eindband.

Leefgebied

Broedt in open ceder-, eiken- en jeneverbesbos in de bergen, oude boomgaarden en parken met holle bomen. Op de trek in alle soorten terrein met bomen of struiken: oases en dadelpalmtuinen, wadi's met acacia's, tuinen, olijfgaarden en akkerranden; in de woestijn op elke plek met wat dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in de Maghreb in de Midden-Atlas, het Rifgebergte en de Hoge Atlas van Marokko, plaatselijk in de bergbossen van Noord-Algerije en zeer schaars in Noordwest-Tunesië. Op de trek, van maart tot mei en van augustus tot oktober, talrijk in het hele gebied: door de Maghreb en de Sahara, in Libië, de Nijlvallei en de Sinaï, door Israël en Jordanië, en over het Arabisch Schiereiland, Irak en de Golfstaten, waar vooral samamisicus doortrekt. Die vorm overwintert deels in Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië; elders blijven in de winter enkele vogels hangen. Daarbuiten broedt de soort van Europa tot Centraal-Siberië, Turkije en Iran, en overwintert in de Sahel en Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en september zie je doortrekkers in elke oase en tuin, bijvoorbeeld in Eilat, in de Sinaï en in de Marokkaanse oases bij Merzouga. Broedvogels zoek je in de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Midden-Atlas.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Na een sterke afname in de jaren zestig en zeventig, vooral door droogte in het Sahelse winterkwartier, is de Europese stand redelijk stabiel. In de Maghreb gaat broedbiotoop verloren door kap en overbegrazing van de bergbossen.

Wetenschappelijke naam

Phoenicurus phoenicurus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Phoenicurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoenicurus werd in 1817 ingevoerd door Forster. Phoenicurus is Grieks, van phoinix 'rood' en -ouros '-staartig'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.