Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Kleine rotslijster
Kleine rotslijster | Monticola rufocinereus
Little Rock Thrush | Roquero chico
De kleine rotslijster is een Afrikaanse rotslijster die in het gidsgebied alleen voorkomt in de hooglanden van Zuidwest-Arabië. Klein, rank en met het gedrag van een roodstaart: hij trilt met de staart en vangt insecten vanaf een rots of boomtak. Een van de soorten die het Asirgebergte en Jemen hun Afrikaanse karakter geven.
Geluid
De roep is een zacht tsjuk en een fijn, dun fluitje. De zang is een rustige, melodieuze reeks fluittonen en kwetterende frasen, wat doen denkend aan een roodstaart, gebracht van een hoge uitkijkpost.
Opname: Abdulrahman Alenezi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm. De kleinste rotslijster, met de bouw en houding van een grote roodstaart. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop, keel, bovenborst en bovendelen en een oranjerode onderzijde, die scherp van het grijs is afgezet. De staart is oranjerood met een donker middenpaar en een donkere eindband, samen een omgekeerde T. Het vrouwtje is valer: grijsbruine kop en bovendelen, een lichtere keel en een oranjebeige onderzijde, met dezelfde staarttekening.
Verwarringssoorten
De rode rotslijster (Monticola saxatilis) is groter en kortstaartiger, heeft in broedkleed een witte rugvlek en een staart zonder donkere eindband; vrouwtjes zijn geschubd. De blauwe rotslijster (Monticola solitarius) is groter, langsnaveliger en mist de rode staart. Het vrouwtje van de gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is kleiner en slanker en heeft geen donkere eindband in de staart.
Leefgebied
Rotsige berghellingen, kliffen en kloven met verspreide bomen, vooral jeneverbesbos en open acaciabos, en plaatselijk boomgaarden, terrassen en dorpsranden. In Arabië vooral tussen ongeveer 1500 en 3000 m.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in de bergen van het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland: in Saoedi-Arabië in het Asirgebergte, van de omgeving van Taif zuidwaarts via Al Baha en Abha tot de grens met Jemen, en in de westelijke hooglanden van Jemen. Opgaven uit Oman zijn niet met zekerheid bevestigd. Daarbuiten in de hooglanden van Eritrea, Ethiopië en Somalië en zuidwaarts tot Kenia en Noord-Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Goed te zien in de jeneverbesbossen en op de rotsige hellingen rond Abha, bijvoorbeeld bij Al Soudah en de afgrond van Raydah, en in de bergen rond Al Baha. Let op een kleine rotslijster die als een roodstaart met de staart trilt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het Asirgebergte vrij algemeen in geschikt terrein; de jeneverbesbossen staan wel onder druk door afsterven, kap en bebouwing.
Wetenschappelijke naam
Monticola rufocinereus | (Rüppell, 1837)
Rüppell beschreef de soort in 1837 als Saxicola rufocinerea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. rufocinereus is Latijn voor 'rood en asgrauw', van rufus 'rood' en cinereus 'asgrauw'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de streek Simien in het noorden van Ethiopië.


