Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Gierzwaluw
Gierzwaluw | Apus apus
Common Swift | Vencejo común
De bekende zwarte sikkel van steden en dorpen, die in het noorden van het gebied broedt en in het voor- en najaar met miljoenen tegelijk over de hele regio naar en van Afrika ten zuiden van de Sahara trekt. In de Levant is hij een van de eerste zomergasten: in Jeruzalem keert hij al in februari terug naar de oude muren.
Geluid
Een schelle, langgerekte gil, sriiieeeh, vaak in koor door groepen die met hoge snelheid langs de daken jagen. Lager en scherper dan de roep van de vale gierzwaluw.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot, met lange, smalle, sikkelvormige vleugels en een korte, gevorkte staart. Het verenkleed is egaal donker roetbruin, van onderen nauwelijks lichter, met een kleine, vaag begrensde lichte keelvlek; jonge vogels hebben lichte veerzomen en een wittere keel. De oostelijke vorm pekinensis, die door Irak en Arabië trekt, is iets bleker, met een grotere lichte keel. Snelle, stijve vleugelslagen afgewisseld met glijvluchten; vaak in luidruchtige groepen laag tussen de huizen.
Verwarringssoorten
De vale gierzwaluw (Apus pallidus) is bleker en bruiner, met een grote, vage lichte keelvlek, een donker oogmasker, een lichtere binnenvleugel en een bredere, stompere vleugelpunt; zijn slag is trager. De madeiragierzwaluw (Apus unicolor) is kleiner, slanker en zwarter, met een diepere staartvork. Socotragierzwaluw (Apus berliozi) aan de Arabische zuidkust is bruiner met een grote witte keel. De alpengierzwaluw (Tachymarptis melba) is veel groter met een witte buik.
Leefgebied
Broedt vooral in gebouwen: oude stadsmuren, moskeeën, kerken en flats; daarnaast in rotswanden en kliffen. Jaagt hoog in de lucht boven elk landschap, op trek ook boven woestijn en zee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Marokko, Algerije en Tunesië: broedvogel in steden en dorpen van het noorden en in de Atlas, met grote aantallen in de oude medina's. Libië: broedvogel langs de kust. Egypte: vooral doortrekker, in grote aantallen langs de Nijl en over de Sinaï. In de Levant broedvogel in Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Libanon en Syrië. Irak: broedvogel in de steden van het noorden en midden, in het zuiden vooral doortrekker. Arabisch schiereiland: doortrekker over Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Bahrein en Koeweit, in het voorjaar talrijker dan in het najaar; de oostelijke pekinensis is hier de gewone vorm. Over de hele Sahara trekt hij in breed front, hoog en grotendeels onzichtbaar. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa en gematigd Azië tot China; hij overwintert in Afrika ten zuiden van de evenaar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga eind februari of in maart naar de Klaagmuur of de oude stadsmuren van Jeruzalem: daar zijn de eerste vogels van het jaar te zien en te horen. Op trek kunnen bij onweer of tegenwind enorme groepen laag boven meren en kustvlakten jagen, bijvoorbeeld bij Eilat, Azraq en de Nijldelta.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van Europa en het Midden-Oosten afgenomen door het verdwijnen van nestplaatsen bij renovaties en door minder insecten. Nestkasten en open stootvoegen in oude muren helpen.
Wetenschappelijke naam
Apus apus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo Apus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli. Apus is Latijn voor 'gierzwaluw', van Grieks a- 'zonder' en pous 'voet': de ouden hielden de vogel voor een zwaluw zonder poten. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

