Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Grauwe buulbuul
Grauwe buulbuul | Pycnonotus barbatus
Common Bulbul | Bulbul naranjero
In heel Noord-Afrika bepaalt de grauwe buulbuul het geluidsdecor van tuinen, oases en dorpspleinen: een onopvallend bruine, langgestaarte zangvogel met een vol en helder fluitliedje. Van de Atlantische kust van Marokko tot het Nijldal is hij een van de eerste vogels die een bezoeker hoort.
Geluid
De zang is een korte, luide en vloeiende reeks van acht tot tien fluittonen, wat rollend, klassiek weergegeven als dok-ter-vlug, dok-ter-vlug. De contactroep is een scherp tsjip-tsjip-tsjip, bij onraad overgaand in een raspend tsjrr. Jaarrond te horen, het meest van februari tot juni.
Opname: Deville Tanguy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–20 cm. Slank gebouwd, met een vrij grote kop en een lange, rechte staart. De kop is roetbruin tot zwartig en loopt door over de keel; die donkere kap steekt af tegen de dofbruine mantel en vleugels. De onderdelen zijn vuil grijswit, op de borst iets donkerder gewassen, en de onderstaartdekveren wit (bij de ondersoorten ten zuiden van de Sahara geel). Er is geen witte oogring. De snavel is dun, zwart en licht gebogen. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bruinere kap. De Egyptische vorm arsinoe is kleiner en bleker dan de vogels van de Maghreb (barbatus), met een zwartere kop.
Verwarringssoorten
In de Maghreb is er geen echte verwarringssoort: een spreeuwgrote, egaal bruine vogel met donkere kop en lange staart, laag door struikgewas hippend, is hier de grauwe buulbuul. Een vrouwtje merel (Turdus merula) is forser, heeft een gele of hoornkleurige snavel en werkt de grond af. Vanaf de Sinaï volgt de Arabische buulbuul (Pycnonotus xanthopygos), met een witte oogring en felgele onderstaartdekveren; in Noordoost-Egypte en de Sinaï komen kruisingen voor, met een vage oogring of geelachtige onderstaart.
Leefgebied
Vrijwel alles met struiken of bomen dat niet gesloten is: tuinen en parken, hotelterreinen, boomgaarden, olijf- en arganaanplant, oleanderstruweel langs droogvallende rivieren, maquis, dadelpalmtuinen en oases tot diep in de woestijnrand, en in Egypte de beplanting langs Nijl en kanalen. Gesloten bos en open woestijn mijdt hij. Het voedsel bestaat grotendeels uit vruchten (vijgen, dadels, moerbeien, olijven), aangevuld met bloemen, nectar en insecten. Het nest is een losse kom in de vork van een struik of lage boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko algemeen ten noorden van de Sahara, van de Rif en de Atlantische laagvlakte tot de Souss en de oases van de Drâa, de Ziz en de Tafilalt, zuidwaarts tot aan de noordrand van de Westelijke Sahara. In Algerije in de Tell, op de Hoogvlakten en in de oases aan de noordrand van de Sahara; in heel Tunesië, ook in de zuidelijke oases van Tozeur, Nefta en Gabès; in Libië vooral in Tripolitanië en de Djebel Nafusa. In Egypte de vorm arsinoe in de Nijldelta en het Nijldal tot Aswan en Abu Simbel, in de Faiyum en in oases van de Westelijke Woestijn; in het noordoosten tot aan het Suezkanaal en in de westelijke Sinaï, waar hij met de Arabische buulbuul kruist. Daarbuiten broedt hij in Ceuta, Melilla en sinds 2013 bij Tarifa in Zuid-Spanje, en in andere ondersoorten door de Sahel en vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een ontbijtterras in Marrakesh, Agadir, Tunis of Luxor is genoeg: vanaf zonsopgang zingen de mannetjes vanaf de top van een oleander of een lantaarnpaal en ze laten zich tot op enkele meters benaderen. In Noordoost-Egypte en de Sinaï loont het om op de oogring en de kleur van de onderstaart te letten, om kruisingen met de Arabische buulbuul te herkennen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en over vrijwel het hele areaal algemeen tot zeer algemeen. In Noord-Afrika profiteert hij van tuinen, irrigatie en stadsgroen en breidt hij zich eerder uit dan dat hij afneemt. Als vruchteneter geldt hij in boomgaarden plaatselijk als lastig, en hij wordt hier en daar gevangen als kooivogel, maar zonder merkbaar effect op de stand.
Wetenschappelijke naam
Pycnonotus barbatus | (Desfontaines, 1789)
Desfontaines beschreef de soort in 1789 als Turdus barbatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Pycnonotus is Grieks, van puknos 'dicht, compact' en -nōtos 'gerugd', van nōton 'rug', naar het dichte verenkleed van de rug. barbatus is Latijn voor 'gebaard', van barba 'baard'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Algiers.


