Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Grijze wouw

Grijze wouw | Elanus caeruleus

Black-Winged Kite | Elanio común

De grijze wouw is een kleine, bleke roofvogel met dieprode ogen die als een torenvalk boven akkers en braakland bidt. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten is hij een vogel van de natte landbouwvlakten: de Atlantische laagvlakten van Marokko, de Nijlvallei en -delta en de valleien van Noord-Israël, waar hij zich de laatste decennia sterk heeft uitgebreid.

Grijze wouw (Elanus caeruleus)
Foto: Stephen Temple from Cape Town, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest en bij verstoring een zacht, fluitend wiiieh en een hoog, krassend kriet-kriet; jongen bedelen met een piepend tsji-eh.

Luister: RoepXC1177796

Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

31–36 cm, gedrongen met een grote kop en een korte, recht afgesneden witte staart. Bovendelen lichtgrijs, onderdelen wit, met een opvallende zwarte schoudervlek die ook zittend goed te zien is. Het oog is dieprood, met een smal zwart masker ervoor. In vlucht van onderen wit met zwarte handpennen, van boven grijs met zwarte schoudervlekken. Vliegt met zachte, wat uilachtige slagen, bidt geregeld en glijdt met de vleugels in een V. De jonge vogel heeft een bruingrijze rug met lichte veerranden, een roestig getinte borst en een bruinig oog. Zit graag rechtop op draden en paaltjes en wipt dan met de staart.

Verwarrings­soorten

Op afstand kan een mannetje blauwe kiekendief (Circus cyaneus) of steppekiekendief (Circus macrourus) gelijken, grijs met zwarte vleugelpunten, maar die zijn veel slanker en langstaartiger, jagen laag over de grond en missen de zwarte schoudervlek. Bidden doet ook de torenvalk (Falco tinnunculus), die roodbruin is met een lange staart. Een meeuw of stern boven water heeft lange, smalle vleugels en een heel andere vlucht.

Leefgebied

Open landbouwgebied met verspreide bomen: graanvelden, luzerne en irrigatieakkers, olijf- en citrusboomgaarden en rijen eucalyptus langs wegen en kanalen; in Arabië ook acaciasavanne in de laaglanden en uitlopers. Jaagt vooral op muizen en woelmuizen, daarnaast op hagedissen en grote insecten. Nestelt in een losse takkenbult hoog in een boom; de aantallen schommelen sterk met de muizenstand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko vrij algemeen in de noordwestelijke laagvlakten (Gharb, Loukkos, Saïs en de Atlantische kust tot de Souss), schaarser in het noorden van Algerije en Tunesië. In Egypte algemeen in de Nijlvallei en de delta en plaatselijk in de oases. In Israël broedvogel in de Hula-, Jezreël- en Beit Sheanvallei en de kustvlakte, ook in de Jordaanvallei van Jordanië en in Libanon en Syrië. In Arabië een schaarse standvogel in de Tihama en het voorgebergte van Zuidwest-Saoedi-Arabië en Jemen; in Irak, Oman en de Golfstaten zeldzaam. Verder in Iberië, Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd langs de wegen door de akkervlakten bij Larache en Kenitra, door de Nijldelta of door de visvijvervalleien van Noord-Israël: hij zit opvallend op draden en masten en bidt 's middags boven braakland. In de winter komen in Israël plaatselijk tientallen vogels samen op gezamenlijke slaapplaatsen in eucalyptusbomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Profiteert van irrigatielandbouw en de aanplant van bomen in open land, en heeft zich in Marokko en de Levant uitgebreid. Gevoelig voor rattengif, dat in de akkerbouw veel wordt gebruikt, en voor het kappen van windsingels.

Wetenschappelijke naam

Elanus caeruleus | (Desfontaines, 1789)

Desfontaines beschreef de soort in 1789 als Falco caeruleus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Elanus werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Elanus komt van het Griekse elanos, de naam van een wouw. caeruleus is Latijn voor 'blauw', naar het blauwgrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algiers.