Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Lammergier

Lammergier | Gypaetus barbatus

Bearded Vulture | Quebrantahuesos

De lammergier is een reusachtige berggier met lange, smalle vleugels en een lange wigvormige staart, die botten van kadavers van grote hoogte op rotsplaten laat vallen om ze te breken. In het gebied is hij zeldzaam geworden: een restant in de Hoge Atlas en een kleine stand in de hooglanden van Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië.

Lammergier (Gypaetus barbatus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel altijd stil. In de balts en bij het nest een hoog, schril fluiten, fiiieh, en een zacht, rollend getjilp; jongen bedelen met een dun piepen.

Luister: BedelroepXC937989

Opname: Thomas SIGNEAU — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

100–115 cm, spanwijdte 250–285 cm. De volwassen vogel heeft donker leigrijze bovendelen met lichte schachtstreepjes en een roomwitte tot roestoranje kop en onderzijde; de oranje tint komt van baden in ijzerhoudende modder. Een zwart masker loopt van het oog naar een borstelig baardje onder de snavel; het oog heeft een rode ring. In vlucht valkachtig van vorm, met smalle, spitse vleugels en een lange wigvormige staart, zwevend op vlakke vleugels langs de hellingen. De jonge vogel is geheel donker bruingrijs met een zwartige kop en wordt in vijf tot zes jaar volwassen; onvolwassen vogels hebben een lichtere romp en een donkere kop.

Verwarrings­soorten

Door de lange wigvormige staart en de smalle vleugels nauwelijks met een andere gier te verwarren. De donkere jonge vogel kan op afstand aan een jonge aasgier (Neophron percnopterus) doen denken, maar die is half zo groot, met een kortere wigstaart en een dunne snavel. De vale gier (Gyps fulvus) en de monniksgier (Aegypius monachus) hebben brede, gevingerde vleugels en een korte staart. In de Arabische bergen vliegt ook de zwarte arend (Aquila verreauxii), zwart met een witte rug en een veel kortere staart.

Leefgebied

Ruig hooggebergte met diepe kloven en hoge rotswanden, in Arabië ook steile escarpementen en bergplateaus met terrasbouw en veeteelt, meestal boven 1500 m. Het nest ligt in een holte of onder een overhang in een rotswand. Het voedsel bestaat grotendeels uit botten en merg van dood vee en wild; grote botten worden op een vaste rotsplaat stukgegooid.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko nog enkele paren in de Hoge Atlas, onder meer rond Oukaïmeden en de Toubkal; in Algerije en Tunesië vrijwel of geheel verdwenen. In Arabië een kleine, schaarse stand in de hooglanden van Jemen en in de Asir- en Hejazgebergten van Saoedi-Arabië. Als broedvogel verdwenen uit de Sinaï, Israël en Jordanië, waar hoogstens nog een zwervende vogel opduikt. Daarbuiten in Iberië, de Alpen (geherintroduceerd), Kreta, Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië en de Himalaya, en in Oost- en Zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Hoge Atlas de kloven en hellingen rond Oukaïmeden en de Tizi n'Tichka af op een heldere ochtend, wanneer de vogel laag langs de wanden patrouilleert. In Jemen en het Asirgebergte boven escarpementen en bergdorpen met vee; de lange wigstaart valt al van grote afstand op.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort gaat wereldwijd achteruit en staat in Noord-Afrika op de rand van verdwijnen. De belangrijkste oorzaken zijn vergiftigd aas, afschot, verstoring van nestplaatsen en het verdwijnen van traditionele veeteelt en daarmee van kadavers; in Arabië ook botsingen met hoogspanningslijnen.

Wetenschappelijke naam

Gypaetus barbatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vultur barbatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gypaetus werd in 1784 ingevoerd door Storr. Gypaetus komt van het Griekse gupaietos, bij de klassieke schrijvers de naam van deze vogel, gevormd uit gups 'gier' en aetos 'arend'. barbatus is Latijn voor 'gebaard', van barba 'baard', naar de zwarte veerbundel onder de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santa Cruz bij Oran, Algerije.