Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Grote gele kwikstaart

Grote gele kwikstaart | Motacilla cinerea

Gray Wagtail | Lavandera cascadeña

De grote gele kwikstaart is de langstaartige kwikstaart van stromend water: snelle beken in de Atlas en de bergen van de Levant, en in de winter elk stroompje, elke irrigatiegoot en elke druppelende wadi tot diep in Arabië. De staart wipt vrijwel onafgebroken en ver op en neer.

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, metaalachtig tsitsit of ziziss, harder en korter dan de roep van de witte kwikstaart, vaak in de vlucht boven het water. De zang is een reeks hoge, snelle tonen met daartussen roepjes, zi-zi-zi-tsjirr, gebracht van een steen of in een zangvlucht.

Luister: ZangXC1134963

Opname: Shaun Micklewright — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–20 cm, waarvan bijna de helft staart; de langste en slankste kwikstaart van het gebied. De bovendelen zijn blauwgrijs, de stuit en de onderstaartdekveren helder geel, en de vleugel is zwartig met een smalle witte band op de armpennen, die alleen in de vlucht opvalt. De poten zijn vleeskleurig tot roze. Het mannetje in zomerkleed heeft een zwarte keel tussen een witte wenkbrauw- en baardstreep en een heldergele borst. Vrouwtjes en vogels in winterkleed hebben een witte of bleke keel en een borst die van vuilwit tot bleekgeel varieert, maar houden altijd de felgele onderstaart en stuit. De vlucht is sterk golvend en de lange staart valt dan extra op.

Verwarrings­soorten

De gele kwikstaart (Motacilla flava) en de citroenkwikstaart (Motacilla citreola) hebben een veel kortere staart, zwarte poten en een groene respectievelijk grijze rug zonder het contrast met een felgele stuit; ze zoeken bovendien liever open, vlak terrein. Een jonge citroenkwikstaart is grijs van boven maar heeft brede witte vleugelbanden en een witte onderstaart. De grote gele kwikstaart onderscheidt zich altijd door de combinatie grijze rug, gele onderstaart, roze poten en de uitzonderlijk lange staart.

Leefgebied

In de broedtijd snelstromende beken en rivieren met stenen, watervallen en overhangende oevers, vooral in de bergen, ook bij molens, bruggen en irrigatiekanalen. In de winter breder: oevers van rivieren, stromende kanalen, bronnen en wadi's met permanent water, rioolwaterzuiveringen, vijvers in parken en zelfs fonteinen en sproeiers in steden en hotels. Eet waterinsecten en hun larven, die hij van stenen pikt of in korte vluchtjes vangt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko in de Rif en de Hoge, Middel- en Anti-Atlas, in het noorden van Algerije en Tunesië, en in Libanon, het westen van Syrië en de bergen van Noord-Irak; in Israël zeer schaars. In de winter en op de trek in vrijwel het hele gebied: talrijk in de Maghreb, langs de Nijl en in de Levant, en verspreid in Arabië in wadi's met stromend water, in de bergen van Jemen en Oman, in de Dhofar en in de Golfstaten; schaars in de Libische en Algerijnse Sahara buiten de oases. Daarbuiten broedt de soort in Europa en Azië tot Japan, en overwintert hij tot in Oost-Afrika, India en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter de makkelijkste plek om hem te vinden is elk stuk stromend water: een wadi met een beekje in Oman, een irrigatiegoot in een oase of de rand van een hotelzwembad aan de Golf. In de broedtijd in de Atlas langs elke bergbeek: in de Ourika-vallei en bij de watervallen van Ouzoud is hij gewoon. Het scherpe tsitsit boven het water kondigt hem meestal aan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het gebied wijdverspreid. Plaatselijk heeft hij te lijden van het drooggevallen raken van beken en bronnen door wateronttrekking, maar hij past zich goed aan kunstmatig stromend water in tuinen, parken en landbouwgebieden aan.

Wetenschappelijke naam

Motacilla cinerea | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar de grijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Wycliffe in Engeland.