Alle soorten › Pelikaanachtigen › Hamerkop › Hamerkop
Hamerkop | Scopus umbretta
Hamerkop | Avemartillo
Een egaal bruine waadvogel met een zware snavel en een naar achteren wijzende kuif, waardoor de kop op een hamer lijkt. In het gidsgebied is het een Afrikaanse soort op de uiterste noordgrens van zijn areaal: hij leeft alleen in de wadi's met stromend water in de bergen en kustvlakte van Zuidwest-Saoedi-Arabië en Jemen, waar zijn reusachtige takkennesten in vijgen- en acaciabomen opvallen.
Geluid
Een hoge, nasale roep, jip of jip-purr, en een snel ratelend gekakel, kek-kek-kek-kek, vooral tijdens groepsbijeenkomsten waarbij enkele vogels rond elkaar draaien en op elkaars rug klimmen.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot en gedrongen, geheel dofbruin met een zwakke paarse glans op de rug en een vage bandering op de staart. De zwarte snavel is hoog, zijdelings samengedrukt en heeft een haakje aan de punt; samen met de dikke nekkuif vormt hij de hamervormige kop. Poten vrij kort en zwart. De seksen zijn gelijk en jonge vogels lijken op de oude. Vliegt met halfingetrokken nek en trage, diepe vleugelslagen en zweeft soms in kringen.
Verwarringssoorten
In het gebied geen enkele andere bruine waadvogel heeft deze hamervormige kop. Een vliegende vogel kan op afstand aan een kleine bruine roofvogel of aan een jonge zwarte ibis (Plegadis falcinellus) doen denken, maar de zware snavel met de kuif in één lijn maakt hem onmiskenbaar.
Leefgebied
Wadi's met permanent of seizoensgebonden stromend water, poelen onder watervallen, stuwmeertjes, irrigatiekanalen en terrasakkers met water, van de kustvlakte tot ruim 2.000 m in de bergen. Schuifelt in ondiep water om prooi op te jagen: vooral kikkers en padden, verder kleine vissen, larven en waterinsecten. Voor het nest zijn grote bomen, meestal vijgen of acacia's, of een rotsrichel nodig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië in de Asir-bergen en de Tihama-kustvlakte van ongeveer Al Baha en Taif zuidwaarts tot Jizan, en in West-Jemen in de wadi's van de westelijke hooglanden en de Tihama. Een standvogel die het hele jaar bij hetzelfde water blijft. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de Asir de wadi's met stromend water en grote vijgenbomen af, bijvoorbeeld rond Abha, Wadi Jizan en in de dalen onder de escarpement, vooral in de vroege ochtend en de late middag. Het enorme koepelnest is vaak eerder te zien dan de vogel zelf: een massieve bol takken in een boomvork met een nauwe ingang aan de onderzijde.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De geïsoleerde Arabische populatie is klein en afhankelijk van wadi's met water, die in Zuidwest-Arabië afnemen door grondwateronttrekking, stuwdammen, droogte en de aanleg van wegen en bebouwing in de dalen.
Wetenschappelijke naam
Scopus umbretta | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Scopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Scopus is afgeleid van het Griekse skia, 'schaduw'; ook de soortnaam umbretta, 'omberkleurig, donkerbruin', verwijst naar het doffe bruine verenkleed van de hamerkop. umbretta gaat terug op het Franse 'ombrette', 'schaduwtje', naar de egaal donkerbruine kleur van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.

