Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Afrikaanse lepelaar

Afrikaanse lepelaar | Platalea alba

African Spoonbill | Espátula africana

De Afrikaanse tegenhanger van de lepelaar, met een rood gezicht en rode poten. Hij broedt ten zuiden van de Sahara en bereikt het gidsgebied alleen als zeldzame dwaalgast, vrijwel steeds in de khawrs van Dhofar in Zuid-Oman, aan de overkant van de Golf van Aden.

Afrikaanse lepelaar (Platalea alba)
Foto: Bjørn Christian Tørrissen — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil; bij de kolonie een laag, hees knorren en klepperen van de snavel.

Luister: RoepXC611674

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en geheel wit, zonder kuif en zonder geel op borst of snavelpunt. Het kale gezicht tot achter het oog is rood, de lange lepelsnavel grijs met rode randen en een roze-rode basis, de poten roze-rood. Jonge vogels hebben een gelige snavel, een bevederd gezicht en zwarte punten aan de buitenste handpennen. Vliegt met gestrekte hals, net als de lepelaar.

Verwarrings­soorten

De lepelaar (Platalea leucorodia) heeft zwarte poten, een zwarte snavel met gele punt, een bevederd wit gezicht met alleen een kleine kale gele keelvlek, en in de broedtijd een kuif en een gele borstband. Jonge lepelaars hebben een roze-grijze snavel en lichte poten en kunnen daardoor verwarring geven; let op het kale rode gezicht van de volwassen Afrikaanse lepelaar. De grote zilverreiger (Ardea alba) heeft een spitse snavel en vliegt met ingetrokken hals.

Leefgebied

Ondiepe zoete en brakke wateren: moerassen, kustlagunes, riviermondingen, stuwmeren en rioolwaterplassen. Foerageert door met de snavel zijwaarts door het water te maaien. In Oman vooral in de door zandbanken afgesloten khawrs aan de kust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast. De meeste gevallen komen uit Dhofar in Zuid-Oman: Khawr Taqah (1986), Khawr Rawri (1994) en de khawrs rond Salalah, waar van 2004 tot 2008 een vogel langdurig verbleef en in 2022 opnieuw een vogel werd gezien; in 1997 werd er een gemeld bij Muscat. In de Verenigde Arabische Emiraten werd in 2021 een vogel gezien bij Al Zorah (Ajman), maar daar worden ook vogels in gevangenschap gehouden. Uit Egypte bestaan enkele oude, ongedateerde vermeldingen. Elders in het gebied geen gevallen bekend. Daarbuiten wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Soedan tot Zuid-Afrika, en op Madagaskar.

Hoe en wanneer kijken

Controleer in de khawrs van Dhofar en de lagunes van Zuid-Arabië elke lepelaar op gezicht en pootkleur: een rood gezicht en rode poten wijzen op deze soort. Wees bij vogels in de Emiraten bedacht op ontsnapte dieren uit dierentuinen en safariparken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in een groot deel van Afrika algemeen. In het gidsgebied heeft de soort geen eigen status: het gaat om een tiental losse vogels, die vermoedelijk uit Oost-Afrika over de Golf van Aden zijn gekomen.

Wetenschappelijke naam

Platalea alba | Scopoli, 1786

Scopoli beschreef de soort in 1786 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Platalea werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Platalea is het Latijnse woord voor de lepelaar, teruggaand op het Griekse platus 'breed, plat', naar de snavel. alba is Latijn voor 'wit' — naar het geheel witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop (oorspronkelijk abusievelijk Luzon, Filipijnen).