Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Huisgors
Huisgors | Emberiza sahari
House Bunting | Escribano sahariano
De huisgors is de gors van de Noord-Afrikaanse dorpen en steden: een kleine, kaneelbruine vogel die als een mus over erven, binnenplaatsen en marktpleinen trippelt en op daken en muren zingt. Hij is de westelijke tegenhanger van de gestreepte gors en wordt tegenwoordig meestal als aparte soort behandeld.
Geluid
De zang is een kort, hoog en licht schetterend strofetje van vijf of zes tonen met een dalend slot, witsje-witsje-wietsjuu, vanaf een dakrand, een antenne of een muurtje; bijna het hele jaar te horen en het luidst in de vroege ochtend. De roep is een dun, nasaal tsjiep of tsjuu.
Opname: Guido O. Keijl — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14 cm, een kleine, kortgestaarte gors zonder wit in de staart. Het mannetje heeft een grijze kop met fijne lichte strepen: een vage lichte kruinstreep, een lichte wenkbrauwstreep en een lichte streep onder de wang, met een grijze, nauwelijks gestreepte keel en borst. Rug en onderdelen zijn warm kaneel- tot oranjebruin en vrijwel ongestreept; de vleugels zijn roestbruin. De bovensnavel is donker, de ondersnavel oranjegeel. Het vrouwtje is doffer, met een bruiner gestreepte kop en minder contrast. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
De gestreepte gors (Emberiza striolata), van de Sinaï oostwaarts, heeft een scherper zwart-wit gestreepte kop met een duidelijke witte wenkbrauw en wangstreep, een gestreepte keel en een gestreepte rug; beide soorten overlappen in het gidsgebied nauwelijks. De grijze gors (Emberiza cia) in de Atlas heeft een zilvergrijze kop met zwarte strepen, wit in de staart en een roestbruine buik. Vrouwtjes van de huismus (Passer domesticus) missen de kaneelkleur en de ondersnavel is niet oranjegeel.
Leefgebied
Dorpen, ksour en kasba’s, oude stadsdelen en medina’s, oases en boerenerven, en daarbuiten rotsige hellingen, kloven en droge wadi’s in bergland en woestijnrand. Nestelt in gaten en spleten in muren, onder daken en in rotsen. Foerageert op de grond op zaden, kruimels en insecten, vaak onbevreesd dicht bij mensen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wijdverbreid in Marokko, van de Middel- en Hoge Atlas en de Anti-Atlas tot de woestijnrand en de oases van het zuiden, en de laatste decennia noordwaarts uitgebreid tot in de steden van de Atlantische laagvlakte en de Rif. In Algerije in de Sahara-Atlas, de oases en de bergmassieven van de Sahara (Hoggar, Tassili), in het zuiden van Tunesië en in het zuidwesten van Libië (Fezzan). Daarbuiten in de bergen van de Sahara en de Sahel, van Mauritanië tot Tsjaad; sinds de jaren 2000 ook enkele vestigingen in het zuiden van Spanje.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In elke Marokkaanse stad met oude bebouwing: in de medina van Marrakech, rond de kasba’s van de Drâa- en Dadesvallei en in de dorpen van de Hoge Atlas. Zoek op binnenplaatsen, daken en muurtjes en luister naar het korte liedje; hij laat zich vaak van dichtbij bekijken, ook op terrasjes.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Marokko algemeen en in uitbreiding, waarschijnlijk geholpen door de groei van dorpen en steden. Buiten de bebouwing is de soort minder talrijk en in de centrale Sahara dun gezaaid.
Wetenschappelijke naam
Emberiza sahari | Levaillant, 1850
Levaillant beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. sahari betekent 'van de Sahara', naar het woestijnrandgebied waar de soort leeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Algerije.


