Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Zwartkopgors
Zwartkopgors | Emberiza melanocephala
Black-Headed Bunting | Escribano cabecinegro
De zwartkopgors is een forse, langgestaarte gors die in de Levant en Noord-Irak broedt en in de nazomer oostwaarts vertrekt naar het Indiase subcontinent. Het mannetje, met zwarte kap, kastanjebruine rug en citroengele onderzijde, zit in mei en juni op elke draad en struiktop van het heuvelland van Galilea tot Koerdistan en is dan een van de meest in het oog lopende zangvogels van het gebied.
Geluid
De zang begint met een paar krassende, aarzelende tonen en gaat over in een luide, wat schorre strofe die versnelt en met een uithaal eindigt: tsrit-tsrit-tsjeree-tsjeree-tsjururee. Hij zingt van april tot in juli langdurig vanaf een draad, een paal of de top van een struik of boom. De roep is een hard, metalig tsjup en een rollend tsrrt in de vlucht.
Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–17 cm. Fors, met een zware kegelsnavel en een lange staart zonder wit aan de zijkanten. Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt, een gele keel en halszijde, een geheel citroengele onderzijde zonder strepen en een kastanjebruine rug en stuit; de vleugels zijn bruin met lichte randen. In het najaar verdwijnt het zwart grotendeels onder bruine veerranden. Het vrouwtje is bleek zandbruin met een vage kopstreping, een ongestreepte vuilwitte tot gelige onderzijde en meestal geelachtige onderstaartdekveren. Jonge vogels zijn nog vlakker en fijn gestreept op de kruin.
Verwarringssoorten
Het mannetje is onmiskenbaar; het vrouwtje en de jonge vogel zijn de opgave. De bruinkopgors (Emberiza bruniceps), die als doortrekker in het oosten van het gebied voorkomt, is in die kleden nauwelijks te scheiden: let op de stuit, geelgroen bij de bruinkopgors en warmer zandbruin bij de zwartkopgors, maar vertrouw bij een losse vogel niet op één kenmerk. De grauwe gors (Emberiza calandra) mist ook wit in de staart, maar is zwaarder, grijsbruin en duidelijk gestreept op de borst. Vrouwtjes van ortolaan (Emberiza hortulana) en bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) zijn kleiner, hebben een lichte oogring, een roze snavel en wit in de buitenste staartpennen. Een vrouwtje Spaanse mus (Passer hispaniolensis) is korter gestaart en dikker gesnaveld en mist het gele waas op de onderstaart.
Leefgebied
Open heuvelland met verspreide struiken en bomen: macchia en garrigue, olijf- en amandelgaarden, wijngaarden, akkerranden met hagen en ruige terreinen langs wegen, van zeeniveau tot ongeveer 1.800 m. Op doortrek in allerlei open land met struiken, ook in akkers en tuinen in de woestijnrand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het noorden en midden van Israël en in Samaria en Judea, in Libanon, in het westen en noorden van Syrië, in het noordwesten van Jordanië en in het bergland van Noord-Irak. In april en mei trekt hij door Irak, Koeweit, Oost-Saoedi-Arabië en de Golfstaten naar het noorden, in augustus en september in omgekeerde richting; in Oman en de Verenigde Arabische Emiraten is hij een vrij schaarse doortrekker, vooral in het voorjaar. In Noord-Afrika is hij zeldzaam; in Egypte en Libië verschijnt een enkele vogel. Daarbuiten broedt hij van de Balkan en Turkije tot de Kaukasus en Iran en overwintert hij in West- en Midden-India.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd eind april of in mei door het heuvelland van Galilea of de Golan en kijk naar de draden langs de weg: een zingend mannetje valt van verre op. Vrouwtjes op doortrek in de Golfstaten zijn lastig; noteer de kleur van stuit en onderstaart en maak foto's van boven- en onderkant.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In het gidsgebied plaatselijk talrijk, maar gevoelig voor het verdwijnen van kleinschalig akkerland met hagen en struiken; in de Levant op veel plaatsen nog gewoon.
Wetenschappelijke naam
Emberiza melanocephala | Scopoli, 1769
Scopoli beschreef de soort in 1769 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. melanocephala is Grieks, van melas 'zwart' en kephale 'kop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Krain in Slovenië.


