Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Huiszwaluw

Huiszwaluw | Delichon urbicum

Common House-Martin | Avión común

De huiszwaluw is de zwaluw met de witte stuit die in de Maghreb en de Levant onder dakranden, bruggen en op rotswanden zijn kommetjes van modder bouwt. In de rest van het gebied is hij een doortrekker die in groepen over woestijn, oases en kusten trekt, vaak samen met boerenzwaluwen.

Huiszwaluw (Delichon urbicum)
Foto: christoph_moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, kort prrit of tsjirrp, voortdurend in de vlucht; boven een kolonie smelten de roepen samen tot een aanhoudend geroezemoes. De zang is een zacht, mompelend gekwetter zonder de ratelende afsluiter van de boerenzwaluw. Alarm bij een valk: een scherp, hoog tsier.

Luister: VluchtroepXC1175786

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13,5–15 cm. Compact en vrij breedvleugelig, glanzend blauwzwart op kop, mantel en vleugels, met een grote, zuiver witte stuit die van veraf opvalt. Onderdelen geheel wit, ook keel en onderstaartdekveren; ondervleugeldekveren grijsbruin. De staart is kort en vrij diep gevorkt, zonder verlengde pennen. Poten en tenen bedekt met witte veertjes. Jonge vogels zijn doffer, met bruinzwarte bovendelen, een grauwe waas op borst en flanken en lichte zomen aan de binnenste armpennen. De vlucht is fladderender en glijdender dan die van de boerenzwaluw, vaak hoog.

Verwarrings­soorten

De Aziatische huiszwaluw (Delichon dasypus), een zeer zeldzame dwaalgast, is kleiner, met een ondiep ingesneden staart, een smallere en vaak donker gestreepte stuit, grauwe onderdelen en zwartige ondervleugeldekveren. Oeverzwaluwen (Riparia) en rotszwaluwen (Ptyonoprogne) hebben nooit een witte stuit. Een jonge huiszwaluw met grauwe borst kan even verwarren, maar de witte stuit beslist altijd.

Leefgebied

Broedt in kolonies aan gebouwen in dorpen en steden, onder bruggen en viaducten en op kliffen en in kloven, in de Atlas tot hoog in het gebergte. Jaagt hoog in de lucht boven open land, water en bergen. Op de trek boven elk landschap, ook boven woestijn en zee; rust bij voorkeur op draden en kale bomen bij water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko (algemeen, van de Rif en de Atlantische vlakte tot hoog in de Hoge Atlas), in het noorden van Algerije en Tunesië en plaatselijk in noordwestelijk Libië, in Libanon, Syrië, het noorden van Israël, het noordwesten van Jordanië en in Noord-Irak. Op de trek talrijk door het hele gebied: Egypte, de Sinaï, Israël, Jordanië, het Arabisch Schiereiland tot Jemen, Oman en de Golfstaten; in Saoedi-Arabië een gewone doortrekker in februari – maart en september – begin oktober. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, hoog boven savanne en regenwoud. Daarbuiten broedt hij door heel Europa en een groot deel van West- en Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko zijn de kolonies onder balkons en in de kloven van de Atlas (de Todra- en Dadèskloof) makkelijk te bekijken. Op de trek in de woestijn: zoek bij waterzuiveringen en oases, waar huiszwaluwen tussen boerenzwaluwen en oeverzwaluwen jagen; let daar ook op een kleinere, grauwere vogel met een vuile stuit.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa sterk achteruitgegaan door gebrek aan modder en insecten en het weghalen van nesten. In het gidsgebied lokaal nog talrijk; renovatie van gebouwen en insecticidegebruik spelen ook hier.

Wetenschappelijke naam

Delichon urbicum | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo urbica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Delichon werd in 1854 ingevoerd door Moore. Delichon is een anagram van het Griekse chelidon 'zwaluw'. urbicum is Latijn voor 'van de stad', naar de gewoonte om tegen gebouwen te nestelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.