Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Iberische klapekster

Iberische klapekster | Lanius meridionalis

Iberian Grey Shrike | Alcaudón real

De Iberische klapekster is een grijze klauwier van het Iberisch Schiereiland en Zuid-Frankrijk, die na de herindeling van de grijze klauwieren als enige vorm van de vroegere zuidelijke klapekster een eigen soort is gebleven. Hij is grotendeels standvogel; in het gidsgebied is hij een zeldzame dwaalgast die over de Straat van Gibraltar Noord-Marokko kan bereiken.

Iberische klapekster (Lanius meridionalis)
Foto: Luiz Lapa from Oeiras, Portugal — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, nasaal sjrèè of tsjèk; daarnaast een herhaald fluitend twie-ie. De zang is een gedempt gekwetter met fluittonen, minder vaak te horen dan bij de klapekster.

Luister: RoepXC998405

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–25 cm. Een donkere grijze klauwier: de bovendelen zijn donker leigrijs, met een smalle maar duidelijke witte wenkbrauwstreep boven het zwarte masker. De keel is wit, borst en flanken zijn opvallend wijnroze getint. De vleugels zijn zwart met een kleine witte handpenvlek en smalle witte randen aan de schouders; de staart is lang en zwart met witte zijkanten. Seksen vrijwel gelijk. Jonge vogels zijn bruiniger, met minder roze en een vage bandering.

Verwarrings­soorten

De Noord-Afrikaanse vorm algeriensis van de klapekster (Lanius excubitor) is even donker, maar heeft een grijze, niet roze, borst en flanken en meestal nauwelijks een witte wenkbrauwstreep; dit is het belangrijkste kenmerk om een dwaalgast te bevestigen. De kleine klapekster (Lanius minor) heeft ook een roze borst, maar is kleiner, korter van staart en heeft een zwart voorhoofd zonder wenkbrauwstreep.

Leefgebied

In zijn broedgebied open, warm en droog terrein met struiken en lage bomen: garrigue, dehesa met verspreide eiken, oude olijfgaarden, wijngaarden en akkerranden met heggen. Een dwaalgast in Noord-Marokko is te verwachten in vergelijkbaar halfopen cultuurland en struweel langs de kust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen als dwaalgast: er zijn enkele meldingen uit het noorden van Marokko, nabij de Straat van Gibraltar en Tanger, waarvan de determinatie vaak lastig te bevestigen is. Uit andere landen van het gebied zijn geen zekere gevallen bekend. Daarbuiten broedt de soort in Spanje, Portugal en Zuid-Frankrijk; hij is vrijwel standvogel, met een klein deel dat 's winters naar het zuiden van Spanje trekt.

Hoe en wanneer kijken

Een grijze klauwier in de Tangerregio of op het schiereiland bij Ceuta in de herfst verdient een goede blik op borst en wenkbrauwstreep: roze borst en een witte wenkbrauw wijzen op deze soort, grijze flanken op de lokale algeriensis. Maak foto's en documenteer zo'n waarneming zorgvuldig.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De Iberische stand is sinds de jaren negentig sterk afgenomen, vooral door de intensivering van de landbouw, het verdwijnen van heggen en braak, en de achteruitgang van grote insecten door pesticiden. In het gidsgebied speelt de soort geen rol van betekenis; de dwaalgasten zijn uitzonderlijk.

Wetenschappelijke naam

Lanius meridionalis | Temminck, 1820

Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. meridionalis is Latijn voor 'zuidelijk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Provence.