Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Alpenkauw
Alpenkauw | Pyrrhocorax graculus
Alpine Chough | Chova piquigualda
Een slanke, glanzend zwarte kraai van het hooggebergte met een korte gele snavel. In het gidsgebied is hij vooral een vogel van de hoogste delen van de Atlas, met kleine, geïsoleerde voorposten in het gebergte van Libanon en Koerdistan. Groepen tuimelen behendig langs rotswanden en zoeken bij skioorden en berghutten naar etensresten.
Geluid
Een hoog, rollend prriiep en een dun, fluitend sjieeuw, heel anders dan het schelle tsjiaa van de alpenkraai; bij alarm een rollend gekrr, en zacht gekwetter van rustende groepen.
Opname: Adrien Peillon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
37–39 cm. Geheel zwart met een zwakke glans, een korte, licht gebogen citroengele snavel en koraalrode poten. Jonge vogels zijn doffer, met een vaalgele snavel en bruinig zwarte poten. In de vlucht een lange, afgeronde staart die ver achter de vleugels uitsteekt, en vleugels met een gebogen achterrand en minder diep gevingerde punten dan bij de alpenkraai; zeilt en duikt in de opwind langs wanden.
Verwarringssoorten
De alpenkraai (Pyrrhocorax pyrrhocorax) heeft een lange, gebogen rode snavel en in de vlucht bredere, rechthoekige vleugels met diep gevingerde punten en een kortere, recht afgesneden staart; let op jonge alpenkraaien, waarvan de snavel korter en oranjegeel is. De kauw (Coloeus monedula) heeft een grijze nek, een lichte iris en een zwarte snavel en zwarte poten.
Leefgebied
Hooggebergte boven de boomgrens: rotswanden, puinhellingen, alpiene graslanden en hoogvlakten; in de Atlas broedend van ongeveer 2900 tot 3900 m, hoger dan elders in zijn areaal. Broedt in rotsspleten en grotten. Eet insecten en larven uit de grasmat, in najaar en winter veel bessen van jeneverbes en afval rond hutten, dorpen en skigebieden. In strenge winters zakken groepen af naar de dalen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko in de Hoge Atlas (onder meer het Toubkalmassief, Oukaïmeden en het M'Goun-massief) en plaatselijk op de hoogste toppen van de Middenatlas. In Algerije in de Djurdjura (Kabylië). In het oosten schaars op de hoogste toppen van het Libanongebergte en het Anti-Libanongebergte (Libanon, Syrië) en zeldzaam in het hooggebergte van Koerdistan in Noord-Irak, langs de grens met Turkije en Iran. Daarbuiten van Noord-Spanje, de Alpen en de Balkan via Turkije, de Kaukasus en Iran tot Centraal-Azië, de Himalaya en West-China.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Oukaïmeden, een uur ten zuiden van Marrakech, is dé plek: groepen zoeken tussen de chalets en op de parkeerplaatsen naar etensresten, vaak samen met alpenkraaien, zodat je de soorten naast elkaar kunt vergelijken. Ook in het dal van Imlil en bij de Toubkalhutten zijn ze vrijwel gegarandeerd.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Afrikaanse en Levantijnse populaties zijn klein en geïsoleerd en gebonden aan de hoogste toppen; opwarming van het klimaat, die de alpiene zone naar boven drukt, is op termijn de grootste bedreiging. Plaatselijk profiteert hij van afval van toeristen en skiërs.
Wetenschappelijke naam
Pyrrhocorax graculus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Corvus Graculus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pyrrhocorax werd in 1771 ingevoerd door Tunstall. Pyrrhocorax is Grieks, van purrhos 'vuurrood' en korax 'raaf', naar de zwarte kraaiachtige met rode snavel en poten. graculus is Latijn voor 'kauw', de klassieke naam voor een zwarte kraaiachtige. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zwitserse Alpen.


